Earth's Ancient History

A Website dedicated to Ancient Times


Bible search Bible Generations Links Mailinglist New additions Public domain

6. Het Vee (Al-An'aam)

Previous 8. De Oorlogsbuit (Al-An'faal)


7. De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf)


7 Al-Aaraaf (De Verheven Plaatsen)

Dit hoofdstuk heeft 24 paragrafen en 206 verzen.

Geopenbaard te Mekka.


In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

1. Alif Laam Miem Saad.

2. (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard - laat er daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; - dit is een aanmaning voor de gelovigen.

3. Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt geen andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die u trekt.

4. Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf overviel hen gedurende de nacht of tijdens de middagslaap.

5. Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders dan dat zij zeiden: "Wij waren inderdaad onrechtvaardigen."

6. En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren gezonden zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook ondervragen.

7. Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want Wij zijn nooit afwezig.

8. En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag eerlijk zijn. Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen.

9. En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun zielen tekort, omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren.

10. En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van middelen van bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar bent u!

11. Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen.

12. (Allah) zei: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. U heeft mij uit vuur en hem uit klei geschapen.

13. (Allah) zei: "Verwijder u van hier - het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, u behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden."

14. Hij zei: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt."

15. (Allah) zei: "U is uitstel verleend."

16. Hij antwoordde: "Welnu, daar u mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad."

17. "Dan zal ik mij gewis vòòr hen en achter hen en van hun rechter en van hun linker zijde tonen en U zult de meesten hunner niet dankbaar vinden."

18. (Allah) zei: "Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen."

19. "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat u wilt, maar nadert deze boom niet, anders zult u tot de onrechtvaardigen behoren."

20. Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zei: "Uw Heer heeft u deze boom alleen verboden, opdat u geen engelen of eeuwig- levenden zult worden."

21. En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een oprechte raadgever."

22. Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zei: "Verbood Ik u die boom niet en zei Ik niet tot u: ' Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u?"

23. Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als U ons niet vergeeft en ons niet genadig bent, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren.

24. Hij zei: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd."

25. Hij zei: "U zult daarop leven en sterven en u zult daarvandaan worden opgewekt."

26. O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn, maar het kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van Allah, opdat zij er lering uit mogen trekken.

27. O kinderen van Adam, laat Satan u niet verleiden, zoals hij uw ouders uit het paradijs verdreef en hen van hun kleding beroofde, opdat hij hun hun naaktheid mocht tonen. Waarlijk, hij ziet u, hij en zijn stam, vanwaar u hen niet ziet. Voorzeker, Wij hebben de duivelen vrienden gemaakt voor hen, die niet geloven.

28. En wanneer zij een slechte daad begaan, zeggen zij: "Wij zagen dit onze vaderen doen en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Allah legt nooit slechte daden op. Zegt u van Allah, hetgeen u niet weet?"

29. Zeg: "Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen. En dat u uw aandacht behoorlijk richt, ter gelegenheid van aanbidding en Hem aanroept in zuivere gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij u deed ontstaan, zo zult u wederkeren.

30. Sommigen heeft Hij geleid en bij anderen werd dwaling hun deel. Zij hebben buiten Allah de bozen tot vrienden genomen en zij denken dat zij recht geleid zijn.

31. O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter gelegenheid van aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de verkwisters zeker niet lief.

32. Zeg: "Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn dienaren heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?" Zeg: "Zij zijn ook voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen op de Dag der Opstanding." Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk dat begrip heeft.

33. Zeg: "Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk of in het geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat u datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft nedergezonden en dat u van Allah dingen zegt, die u niet weet.

34. En er is voor elk volk een termijn en wanneer hun tijd is gekomen kunnen zij geen uur uitstel krijgen, noch kunnen zij vooruitlopen.

35. O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren.

36. Maar zij, die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afkeren - dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij zullen daarin vertoeven.

37. Wie is dan onrechtvaardiger dan hij, die een leugen over Allah uit, of Zijn tekenen verloochent? Dezen zijn het, die hun lot zullen ondergaan zoals het verordend is, als Onze boodschappers hen zullen bezoeken om hun zielen weg te nemen; zij zullen hen vragen: "Waar is hetgeen u naast Allah aanriept?" Zij zullen antwoorden: "Het is verloren geraakt voor ons," en zij zullen tegen zichzelven getuigen, dat zij ongelovig waren.

38. Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn en mensen die vòòr u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een volk er binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer zij er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom een dubbele straf van het Vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Er is voor iedereen het dubbele, maar u weet het niet.''

39. En de eersten hunner zullen tot de laatsten zeggen: "U bent niet boven ons verheven, smaakt daarom de straf voor al hetgeen u deedt."

40. Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden geopend, noch zullen zij in het paradijs komen; eer zou een kameel door het oog van een naald gaan. En zo vergelden Wij de daden der schuldigen.

41. Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben. En zo vergelden Wij de onrechtvaardigen.

42. Maar, die geloven en goede werken verrichten - Wij belasten geen ziel boven haar vermogen - dezen zullen de bewoners van het paradijs zijn, zij zullen daarin vertoeven.

43. Welke wrok er ook in hun hart moge zijn, wij zullen deze van hen verwijderen. Er zullen rivieren voor hen vloeien. En zij zullen zeggen: "Alle lof komt Allah toe, Die ons hiertoe heeft geleid. En als Allah ons niet had terechtgewezen, hadden wij geen leiding kunnen vinden. De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid." En er zal hen worden toegeroepen: "Dit is het paradijs, dat u als erfdeel is gegeven, voor hetgeen u deedt."

44. De bewoners van het paradijs zullen naar de bewoners van de hel roepen: "Wij hebben bevonden waar te zijn, wat onze Heer ons beloofde. Heeft u ook bevonden, waar te zijn wat uw Heer u beloofde?" Zij zullen zeggen: "Ja." Dan zal er een woordvoerder onder hen verkondigen: "De vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen,

45. Die anderen van het pad van Allah weerhielden, het oneffen wensende, en die het Hiernamaals verwierpen."

46. En er zal een scheiding tussen beiden zijn; en er zullen op de verheven plaatsen mannen zijn die allen aan hun merktekenen herkennen. En zij zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Vrede zij over u.'' Dezen zullen het paradijs nog niet zijn binnengegaan, maar zij hopen het.

47. En wanneer hun ogen naar de bewoners van het Vuur zijn gericht, zullen zij zeggen: "Onze Heer, plaats ons niet onder het onrechtvaardige volk."

48. En de bewoners van de verheven plaatsen zullen tot de mensen die zij aan hun merktekenen herkennen roepen: "Uw aantal, noch datgene waarover u hoogmoedig was, heeft u kunnen helpen."

49. Zijn dezen het aangaande welke u heeft gezworen dat Allah hun geen barmhartigheid zou schenken? "Gaat het paradijs binnen, er zal geen vrees over u komen, noch zult u treuren,"

50. En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee Allah u heeft voorzien." Zij zullen antwoorden: "Allah heeft voorzeker dit voor de ongelovigen verboden."

51. Degenen, die hun godsdienst tot tijdverdrijf en tot vermaak namen en wie het leven van de wereld had bedrogen, Wij zullen hen deze Dag vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en zoals zij Onze tekenen verwierpen.

52. En Wij hebben hun voorzeker een Boek gebracht, dat Wij met kennis hebben uiteengezet, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.

53. Wachten zij slechts op (een andere) verklaring daarvan? De Dag, waarop deze komen zal, zullen degenen die het voorheen vergaten, zeggen: "De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid, zullen wij dan enige bemiddelaars hebben, die voor ons zullen bemiddelen? Of konden wij worden teruggezonden (naar de aarde), opdat wij anders mochten doen, dan hetgeen wij deden?" Zij deden hun ziel inderdaad tekort en hetgeen zij verzonnen is voor hen verloren gegaan.

54. Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op de Troon neder. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem snel opvolgt. De zon en de maan en de sterren zijn door Zijn gebod in dienst gesteld. Voorwaar, van Hem is de schepping en het gebod. Gezegend is Allah, de Heer der Werelden.

55. Roept uw Heer in nederigheid en in het verborgene aan. Hij heeft de overtreders zeker niet lief.

56. En schept geen wanorde op aarde, nadat zij is geordend en roept Hem met vrees en hoop aan. Voorzeker, de Barmhartigheid van Allah is de goeden nabij.

57. En Hij is het, Die de winden als blijde tijdingen voor Zijn barmhartigheid uitzendt; totdat, wanneer zij zware wolken dragen, Wij ze naar een dor land drijven, daarna zenden Wij er water uit neder, dan brengen Wij alle soorten vruchten voort; zo wekken Wij de doden op, opdat u er lering uit moogt trekken.

58. En het goede land - de plantengroei komt er in overvloed van voort door het gebod van zijn Heer - en hetgeen slecht is levert alleen schaarste op. Zo wisselen Wij de tekenen af voor een volk dat dankbaar is.

59. Wij zonden Noach tot zijn volk en hij zei: "O, mijn volk, aanbidt Allah, u heeft geen god naast Hem. Ik vrees voor u de straf van de grote Dag."

60. De leiders van zijn volk antwoordden: "Wij zien dat u in openlijke dwaling verkeert."

61. Hij zei: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaling, maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden."

62. "Ik breng u de boodschappen van mijn Heer over en geef u oprechte raad en ik weet van Allah wat u niet weet."

63. "Verwondert u u, dat er een aanmaning van uw Heer tot u is gekomen door een man uit uw midden opdat hij u moge waarschuwen en opdat u rechtvaardig moogt worden en opdat u barmhartigheid moge worden betoond?"

64. Maar zij verloochenden hem; Wij redden hem en degenen die met hem in de ark waren en Wij verdronken degenen, die Onze tekenen verwierpen. Zij waren inderdaad een verblind volk.

65. En tot (het volk van) Aad (zonden Wij) hun broeder Hoed. Hij zei: "O mijn volk, aanbidt Allah, u heeft geen andere god naast Hem. Wilt u dan niet (God) vrezen?"

66. De ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Wij zien u als een dwaze en wij denken, dat u tot de leugenaars behoort."

67. Hij antwoordde: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaasheid, maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden."

68. "Ik breng u de woorden van mijn Heer en ik ben voor u een eerlijke raadgever."

69. "Verwondert u uzelf, dat er een waarschuwing van uw Heer tot u is gekomen door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen? " Hij maakte u na het volk van Noach tot erfgenamen en deed u overvloedig in kracht toenemen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah, opdat u moogt slagen."

70. Zij zeiden: "Bent u tot ons gekomen opdat wij Allah alleen moeten aanbidden en de goden die onze vaderen aanbaden zullen verlaten? Breng ons dan hetgeen waarmede u ons bedreigt, als u oprecht bent."

71. Zij antwoordde: "Straf en toorn van uw Heer hebben u reeds getroffen. Redetwist u met mij over namen, die u heeft genoemd - u en uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden? Wacht dan, ik ben met u onder de wachtenden."

72. En Wij redden hem en degenen, die met hem waren door Onze barmhartigheid en Wij sneden de levenswortel af van degenen die Onze tekenen verloochenden. En dezen waren geen gelovigen.

73. Naar de Samoed (kwam) hun broeder Salih. Hij zei: "O mijn volk, aanbidt Allah; u heeft geen andere god naast Hem. Voorwaar er is een duidelijk bewijs van uw Heer tot u gekomen; deze kamelin is van Allah, een teken voor u. Laat haar daarom met rust opdat zij zich van Allah's aarde moge voeden en doet haar geen leed, anders zal een pijnlijke straf u bereiken."

74. En herinnert u, toen Hij u na (het volk van) Aad tot opvolgers maakte en u vestigde in het land; u bouwde paleizen in de vlakten en u hieuwt huizen uit de bergen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah en wandelt niet op aarde, onheil stichtend.

75. De leiders van zijn volk, die aanmatigend waren, zeiden tot de gelovigen, die zij zwak achtten: "Weet u zeker, dat Salih een door zijn Heer gezondene is?" Zij antwoordden: "Wij geloven voorzeker in hetgeen, waarmede hij gezonden is."

76. Degenen die aanmatigend waren zeiden: "Voorwaar, wij geloven niet in hetgeen waarin u gelooft."

77. Toen verlamden zij de kamelin en overtraden het gebod van hun Heer en zeiden: "O, Salih, breng ons hetgeen, waarmede u ons bedreigd heeft, als u tot de boodschappers behoort."

78. De aardbeving overviel hen en zij lagen uitgestrekt op de grond in hun huizen.

79. Toen wendde Salih zich van hen af en zei: "O, mijn volk, ik bracht u de boodschap van mijn Heer en bood u oprechte raad aan, maar u houdt niet van oprechte raadgevers."

80. En Lot, toen hij tot zijn volk zei: "Pleegt u een gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vòòr u pleegde?"

81. "U nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen. Nee, u bent een volk dat de perken te buiten gaat."

82. Het antwoord van zijn volk was slechts: "Verdrijft hen uit uw stad, want zij zijn mannen die zich rein willen houden."

83. Wij redden hem en zijn familie, met uitzondering van zijn vrouw, zij behoorde tot de achterblijvenden.

84. En Wij deden een regen van stenen over hen komen. Ziet nu wat het einde was van de schuldigen.

85. En tot Midian hun broeder Shoaib. Hij zei: "O, mijn volk, aanbidt Allah, u heeft geen god naast Hem. Er is inderdaad een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen. Geeft daarom volle maat en ruim gewicht en vermindert het aan de mensen verschuldigde niet en schept geen wanorde op aarde nadat zij geordend is. Dit is beter voor u, als u gelovigen bent."

86. "En wacht niet op de wegen om degenen die in Hem geloven te bedreigen en van het pad van Allah af te houden en het oneffen te maken. En gedenkt, hoe u weinigen was en Hij u vermenigvuldigde. En ziet wat het einde was van de onruststokers."

87. "En als er een groep onder u is die gelooft in hetgeen waarmede ik ben gezonden en een andere groep die dit niet gelooft, wacht dan geduldig totdat Allah onder ons richt. Want Hij is de beste Rechter."

88. De leidende mannen van zijn volk die aanmatigend waren, antwoordden: "Wij zullen u, o Shoaib, en de gelovigen met u zeker uit onze stad verdrijven tenzij u tot onze godsdienst terugkeert." Hij zei: "Zelfs al zijn wij er afkerig van?"

89. En indien wij tot uw godsdienst terugvallen, nadat Allah ons er van heeft gered, dan hebben wij voorzeker een leugen aangaande Allah verzonnen. En het past ons niet er naar te willen terugkeren, behalve, wanneer Allah, onze Heer, dit zou willen. Onze Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Wij hebben in Allah ons vertrouwen gelegd. Oordeel daarom, onze Heer, tussen ons en ons volk in waarheid en U bent de beste Rechter.

90. En de leidende mannen van zijn volk die niet geloofden, zeiden: "Als u Shoaib volgt, zult u zeker verliezers zijn."

91. Daarom greep de aardbeving hen en zij lagen uitgestrekt op de grond in hun huizen.

92. Degenen, die Shoaib verloochenden werden (zo vernietigd) alsof zij er nooit in hadden gewoond. Degenen, die Shoaib van leugen beschuldigden - zij waren de verliezers.

93. Daarna wendde hij zich van hen af en zei: "O mijn volk, ik heb u inderdaad de boodschap van mijn Heer overgebracht en ik gaf u oprechte raad. Hoe moet ik dan om een ongelovig volk treuren?"

94. En Wij zonden nimmer een profeet naar een stad zonder dat Wij het volk er van met tegenspoed en lijden troffen, opdat zij zouden verootmoedigen.

95. Daarna verwisselden Wij het boze met het goede, totdat zij groeiden en zeiden: "Lijden en geluk wedervoeren onze vaderen ook." Dan grepen Wij hen plotseling terwijl zij er niet aan dachten.

96. En indien de mensen van die steden hadden geloofd en rechtvaardig waren geweest, zouden Wij zeker zegeningen van de hemel en van de aarde voor hen hebben gezonden, maar zij verloochenden (onze profeet); daarom grepen Wij hen vanwege hun daden.

97. Zijn de bewoners der steden veilig voor de komst van Onze straf over hen, 's nachts, terwijl zij slapen?

98. Of zijn de bewoners dezer steden veilig voor Onze straf die over hen zou kunnen komen, des daags terwijl zij zich vermaken?

99. Zijn zij dan veilig voor Allah's voornemen? En niemand waant zich veilig voor Allah's voornemen, dan het volk dat te gronde gaat.

100. Doet het degenen, die de aarde beerven na haar (vroegere) bewoners niet inzien, dat, indien Wij het willen, Wij hen om hun zonden treffen en hun hart verzegelen, zodat zij niet meer horen?

101. Zo waren de steden wier verhaal Wij u hebben verteld. En voorzeker hun boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen. Maar zij wilden niet geloven omdat zij voorheen reeds loochenden. Zo zegelt Allah het hart der ongelovigen.

102. Wij vonden in de meesten hunner geen (trouw aan het) verbond en Wij bevonden dat de meesten hunner overtreders waren.

103. Toen zonden Wij na hen (de vorige boodschappers) Mozes met Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, maar zij geloofden er niet in. Ziet hoe het einde was van de onruststokers.

104. En Mozes zei: "O, Pharao, ik ben waarlijk een boodschapper van de Heer der Werelden."

105. "Ik mag slechts de waarheid over Allah spreken. Ik ben met een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen; zend daarom de kinderen Israëls met mij mee."

106. Hij antwoordde: "Als u inderdaad met een teken bent gekomen breng het naar voren als u tot de waarachtigen behoort."

107. Hij (Mozes) wierp zijn stok neder en ziet, het was duidelijk een slang.

108. En hij haalde zijn hand tevoorschijn en ziet, zij was wit (geworden) voor de toeschouwers.

109. De leiders van het volk van Pharao zeiden: "Dit is gewis een vaardige tovenaar."

110. "Hij wil u uit uw land zetten. Wat raadt u nu aan?"

111. Zij zeiden: "Geef hem en zijn broeder tijd en zend (intussen) omroepers de steden in,

112. Die elke vaardige tovenaar tot u zullen brengen."

113. En de tovenaars kwamen tot Pharao en zeiden: "Wij zullen natuurlijk als wij de overhand krijgen een beloning ontvangen."

114. Hij (Pharao) antwoordde: "Ja en u zult tot de gunstelingen behoren."

115. Zij zeiden: "O Mozes zult u of zullen wij het eerst werpen?"

116. Hij antwoordde: "Werpt u." En toen zij wierpen, betoverden zij de ogen der mensen en deden hen vrezen en toonden hun grote toverkunst.

117. En Wij bezielden Mozes en zeiden: "Werp uw stok neder" en ziet, deze slokte al hetgeen zij getoverd hadden op.

118. Zo werd de waarheid bevestigd en bleek wat zij deden ijdel te zijn.

119. Zo werden zij verslagen en vernederd.

120. En de tovenaars werden bewogen zich neder te werpen.

121. En zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden."

122. "De Heer van Mozes en Aäron."

123. Pharao zei: "Heeft u vòòr ik het u toestond in Hem geloofd? Dit is voorzeker een complot dat u in de stad heeft gesmeed, opdat u haar bewoners er uit moogt verdrijven maar u zult het weldra te weten komen."

124. "Ik zal gewis uw handen en uw voeten aan tegengestelde zijden (rechts en links) doen afsnijden. Dan zal ik u allen tezamen laten kruisigen."

125. Zij antwoordden: "Wij zullen voorzeker naar onze Heer terugkeren."

126. En u neemt alleen wraak op ons omdat wij in de tekenen van onze Heer hebben geloofd toen zij ons getoond werden. Onze Heer, schenk ons geduld en doe ons sterven als mensen die zich aan U overgegeven hebben."

127. En de leiders van het volk van Pharao zeiden: "Wilt u Mozes en zijn volk in het land wanorde laten scheppen en u en uw goden laten verzaken?" Hij antwoordde: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen sparen. Zeker wij hebben macht over hen."

128. Mozes zei tot zijn volk: "Zoekt de hulp van Allah en weest geduldig. Voorzeker, de aarde behoort aan Allah. Hij geeft haar als erfdeel aan wie Zijner dienaren Hij wil en de uiteindelijke overwinning is voor de godvrezenden.

129. Zij antwoordden: "Wij werden vervolgd, voordat u tot ons kwaamt en nadat u tot ons bent gekomen." Hij (Mozes) zei: "Waarschijnlijk gaat uw Heer uw vijand vernietigen en u tot stedehouders in het land maken, dan zal Hij zien hoe u handelt."

130. En Wij straften het volk van Pharao door droogte en met schaarste van vruchten, opdat zij er lering uit mochten trekken.

131. Wanneer er goeds tot hen kwam zeiden zij: "Dit komt ons toe." En als hen kwaad overkwam, schreven zij de tegenspoed toe aan Mozes en zijn metgezellen. Let op! Hun tegenspoed was eveneens van Allah. Maar de meesten hunner weten het niet.

132. En zij zeiden (tot Mozes): "Welk teken u ons ook moogt brengen om er ons mede te betoveren, wij zullen stellig niet in u geloven."

133. Toen zonden Wij de storm en de sprinkhanen en de luizen en de kikvorsen en bloed over hen - als duidelijke tekenen, maar zij gedroegen zich hoogmoedig en waren een schuldig volk.

134. En toen de straf op hen viel, zeiden zij: "O, Mozes, bid voor ons tot uw Heer, zoals Hij u heeft beloofd. Als u de plaag van ons verwijdert, zullen wij u zeker geloven en wij zullen de kinderen Israëls voorzeker met u laten gaan.

135. Maar toen Wij de straf van hen verwijderden voor een bepaalde termijn, die zij moesten voleindigen, ziet, toen braken zij (hun beloften.)

136. Wij straften hen derhalve en verdronken hen in zee, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er geen acht op sloegen.

137. En Wij deden de mensen die voor zwak werden gehouden de oostelijke en westelijke gedeelten van het land, welke Wij zegenden, erven. En het genadevolle woord van uw Heer werd voor de kinderen Israëls vervuld omdat zij geduldig waren geweest; en Wij vernietigden al hetgeen Pharao en zijn volk hadden gebouwd en al hetgeen zij hadden opgericht.

138. En Wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken en zij kwamen tot een volk dat aan zijn afgoden was gehecht. Zij zeiden: "O, Mozes, maak ons een god zoals dit (volk) goden heeft." Hij antwoordde: "U bent zeker een onwetend volk."

139. "Wat dezen betreft, al hetgeen waarmede zij zich bezig houden, zal worden vernietigd en al hetgeen zij doen zal vergeefs zijn."

140. Hij zei (verder): "Zal ik u een andere god dan Allah zoeken, terwijl Hij u boven de volkeren heeft verheven?"

141. Toen Wij u van Pharao's volk verlosten dat u aan een marteling onderwierp en uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin lag voor u een zware beproeving van uw Heer.

142. En Wij maakten met Mozes een overeenkomst van dertig nachten en vulden ze met tien nachten aan. Aldus werd de periode, die door zijn Heer was vastgesteld tot veertig nachten aangevuld. En Mozes zeide tot zijn broeder Aäron: "Wees mijn plaatsvervanger onder mijn volk in mijn afwezigheid en beheer wel en volg de weg der onruststokers niet."

143. En toen Mozes op Onze vastgestelde tijd kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: "Mijn Heer, toon U aan mij, opdat ik U moge aanschouwen." Hij (Allah) antwoordde: "U zult Mij stellig niet kunnen aanschouwen, maar kijk naar de berg en als deze op zijn plaats blijft, dan zult u Mij wel kunnen zien." En toen zijn Heer Zich op de berg openbaarde, brak deze in stukken en Mozes viel bewusteloos neder. En toen hij tot zichzelf kwam, zei hij: "Heilig bent U, ik wend mij tot U en ik ben de eerste der gelovigen."

144. Allah zei: "O, Mozes, Ik heb u door Mijn boodschappen en Mijn woord boven de volkeren uitverkoren. Houd u daarom vast aan hetgeen Ik u heb gegeven en behoor tot de dankbaren."

145. En Wij schreven op de tafelen allerhande raad en uitleg voor alles. Houd u er aan en beveel uw volk, dit alles stipt op te volgen. Ik zal u weldra de verblijfplaats der overtreders tonen.

146. Ik zal voorzeker degenen, die ten onrechte trots handelen op aarde weldra van Mijn tekenen afkeren; en hoewel zij alle tekenen zien, zullen zij er niet in geloven, en als zij het pad der rechtvaardigheid zien zullen zij dit als weg niet aanvaarden, maar indien zij het pad der dwaling zien, zullen zij deze als weg wel inslaan. Dat komt, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er onachtzaam op waren.

147. En zij, die Onze tekenen en de laatste Ontmoeting verloochenen - hun werken zullen verloren gaan. Zullen zij worden beloond, anders dan voor hetgeen zij deden?

148. En het volk van Mozes maakte van hun sieraden in zijn afwezigheid het lichaam van een kalf - dat een loeiende toon voortbracht. Zagen zij niet, dat het niet tot hen kon spreken, noch hen naar een goede weg leiden? Zij namen het, (als hun god) en zij waren overtreders.

149. Toen zij wroeging gevoelden en zagen, dat zij inderdaad gedwaald hadden, zeiden zij: "Als onze Heer ons geen barmhartigheid betoont en ons vergeeft, zullen wij gewis tot de verliezers behoren.''

150. En toen Mozes verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk terugkeerde, zei hij: "Hetgeen u in mijn afwezigheid deedt, was slecht. Heeft u gehaast vòòr het gebod van uw Heer?" En hij legde de tafelen neder en greep zijn broeders haar en sleepte hem naar zich toe. Hij (Aäron) zei: "Zoon van mijn moeder, het volk achtte mij inderdaad zwak en wilde mij doden. Laat zich de vijanden daarom niet over mij verblijden en plaats mij niet bij het onrechtvaardige volk."

151. Hij (Mozes) zei: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder en laat ons tot Uw barmhartigheid toe want U bent de Allergenadigste.

152. Voorzeker, degenen die het kalf aanbaden zal de toorn van hun Heer en de vernedering in het tegenwoordig leven treffen En zo bejegenen Wij degenen, die een leugen verzinnen.

153. Maar diegenen die kwaad doen en daarna berouw tonen en geloven, voorzeker uw Heer is dan Vergevensgezind, Genadevol.

154. Toen Mozes toorn was gekalmeerd, nam hij de tafelen en er was leiding en barmhartigheid in het geschrift voor degenen, die hun Heer vrezen.

155. En Mozes koos voor Onze ontmoeting zeventig mannen van zijn volk. Maar toen de aardbeving hen achterhaalde, zei hij: "Mijn Heer, als het U had behaagd, kon, U hen en mij voordien reeds hebben vernietigd. Wilt U ons verdelgen voor hetgeen de dommen onder ons hebben gedaan? Dit is niets dan een beproeving van U. U laat daardoor dwalen wie U wilt en U leidt wie U wilt. U bent onze Beschermer , vergeef ons daarom en toon ons barmhartigheid en U bent de Beste Vergevensgezinde."

156. "En verorden het goede voor ons in deze wereld en in het Hiernamaals; wij zijn tot U gekomen." Allah antwoordde: "Ik zal Mijn straf opleggen aan wie Ik wil, maar Mijn barmhartigheid omvat alle dingen. Zo zal Ik het verordenen voor degenen die Mij vrezen en de Zakaat betalen en voor hen die in Onze tekenen geloven."

157. "Hun, die de boodschapper, de reine profeet volgen, die zij in de Torah en het Evangelie beschreven vinden, legt hij het goede op en verbiedt het kwade, veroortooft hun de goede dingen en verbiedt de slechte en ontheft hen van de last en de kluisters die hen bonden. Zij, die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen gewis slagen.

158. Zeg: "O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van Allah, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort. Er is geen God naast Hem. Hij geeft het leven en doet sterven. Gelooft daarom in Allah en Zijn boodschapper, de reine Profeet, die in Allah en Zijn woorden gelooft en volgt hem opdat u recht geleid moogt worden."

159. Er is een deel van het volk van Mozes dat tot waarheid aanspoort en daarmede rechtvaardig handelt.

160. En Wij verdeelden hen in twaalf stammen, als afzonderlijke volkeren. En Wij openbaarden aan Mozes, toen zijn volk om drinken vroeg: "Sla de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen aan: elke stam kende zijn drinkplaats. En Wij deden wolken hen overschaduwen en Wij zonden Manna en kwartels voor hen neder. "Eet van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien." En zij deden Ons geen onrecht aan, maar zij schaadden zichzelf.

161. En toen er tot hen werd gezegd: "Woont in deze stad en eet ervan waar u ook wilt en zegt: " God, verlicht onze last", en gaat de poort in nederigheid binnen, Wij zullen u uw tekortkomingen vergeven. Wij zullen meer geven aan hen die goed doen."

162. Maar de onrechtvaardigen onder hen vervingen het woord door een ander dat niet tot hen was gesproken. Daarom zonden Wij een kastijding van de hemel over hen neder omdat zij onrechtvaardig waren.

163. En vraag hun omtrent de stad, die aan de zee lag. Toen zij de Sabbath ontheiligden verscheen vis op hun Sabbath aan de oppervlakte van het water, maar de dag waarop zij geen Sabbath hielden kwam zij niet tot hen. Zo beproefden Wij hen omdat zij overtreders waren.

164. Toen een gedeelte hunner zei: "Waarom predikt u tot een volk dat Allah wil vernietigen of met een strenge kastijding gaat straffen?" Het andere deel antwoordde: "Als een verontschuldiging tegenover uw Heer en opdat zij rechtvaardig mogen worden."

165. En toen zij de vermaning vergaten redden Wij degenen die het kwade verboden en grepen de onrechtvaardigen met een strenge straf aan, omdat zij verkeerd handelden.

166. En toen zij overtraden, hetgeen hun was verboden, zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."

167. En toen verkondigde uw Heer dat Hij dezulken zou zenden, die hen (de Joden) met een marteling zouden kwellen tot de dag der Opstanding. Voorzeker, uw Heer is vlug in vergelding en Hij is Vergevensgezind, Genadevol.

168. En Wij verdeelden hen in groepen over de aarde. Er zijn onder hen rechtvaardigen en er zijn onrechtvaardigen. Wij beproefden hen door voor- en tegenspoed, opdat zij zich mochten bekeren.

169. Na hen kwam er een boos geslacht dat het Boek erfde. Zij namen de goederen van deze wereld en zeiden: "Het zal ons worden vergeven." Maar als meer dergelijke goederen tot hen kwamen zouden zij deze ook hebben genomen. Werd de belofte in het Boek, dat zij van Allah slechts de waarheid zouden spreken, niet van hen afgenomen? En hebben zij hetgeen er in staat, niet gelezen? En het tehuis van het Hiernamaals is beter voor degenen, die (God) vrezen. Begrijpt u dat niet?

170. En die zich aan het Boek vasthouden en in het gebed volhardend zijn - voorzeker Wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan.

171. Toen Wij de berg (Sinaï) boven hen deden schudden alsof hij een losse bedekking was, dachten zij, dat deze op hen zou vallen; Wij zeiden: "Houdt u aan hetgeen Wij u hebben gegeven vast en gedenkt wat er in staat, opdat u moogt worden behouden."

172. En toen uw Heer van Adams kinderen een nageslacht uit hun lendenen voortbracht, en hen deed getuigen over henzelf: "Ben ik uw Heer niet?" antwoordden zij: "Ja, wij getuigen" zodat u op de Dag der Opstanding niet zult zeggen: "Wij waren ons hiervan zeker niet bewust."

173. Of u zult zeggen: "Het waren alleen onze vaderen die afgoderij bedreven en wij waren een geslacht na hen. Wilt U ons dan vernietigen om hetgeen de leugenaars deden?"

174. En zo verklaren Wij de tekenen opdat zij zich mogen bekeren.

175. En vertel hun het verhaal van de man die Wij Onze Ayat gaven, maar hij wendde zich af, daarom volgde Satan hem en hij werd verleid.

176. En indien Wij wilden, konden Wij hem daarmee verheffen maar hij verkoos de aarde en volgde zijn begeerten, hij is als een hond: als u hem achtervolgt laat deze zijn tong (uit de bek) hangen en indien u hem met rust laat steekt hij ook zijn tong uit. Dit is het geval van de mensen, die Onze Ayat verloochenen. Vertel daarom deze gelijkenis opdat zij mogen nadenken.

177. Slecht is de toestand van een volk dat Onze Ayat verloochent, het handelt onjuist tegen zichzelf.

178. Wie Allah leidt is op het rechte pad. En wie Hij laat dwalen, zal tot de verliezers behoren.

179. Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen wier einde de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede en zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, nee zij dwalen nog meer (dan dit), zij zijn de achtelozen.

180. Aan Allah behoren alle goede eigenschappen. Roept Hem daarbij aan. En laat degenen, die ten opzichte van Zijn eigenschappen van de rechte weg afwijken, met rust. Hun zal worden vergolden naar hetgeen zij hebben bedreven.

181. En er is onder hen die Wij hebben geschapen een volk, dat de mensen met waarheid leidt en rechtvaardig oordeelt.

182. En degenen, die Onze tekenen verwerpen zullen Wij geleidelijk aangrijpen, op een wijze die zij niet verwachten.

183. Ik geef hun uitstel. Mijn plan is voorzeker machtig.

184. Hebben zij er niet over nagedacht dat er in hun metgezel (Mohammed) geen krankzinnigheid is? Hij is slechts een duidelijk waarschuwer.

185. Hebben zij het koninkrijk der hemelen en der aarde en alle dingen die Allah geschapen heeft, niet bekeken? En dat hun termijn waarschijnlijk reeds naderbij is gekomen? In welk woord zullen zij dan daarna geloven?

186. En wie Allah laat dwalen, voor hem kan er geen gids zijn. Hij laat dezulken in hun koppigheid blindelings zwerven.

187. Vragen zij u omtrent het uur, wanneer het zal plaatsvinden? Zeg: "De kennis daarvan is slechts bij mijn Heer. Niemand dan Hij kan het op zijn tijd openbaren. Het rust zwaar op de hemel en op de aarde. Het zal slechts onverwacht tot u komen. Zij ondervragen u of u er goed van op de hoogte bent. Zeg: "De kennis er van is slechts bij Allah, maar de meeste mensen weten het niet."

188. Zeg: "Ik heb buiten hetgeen Allah wil, geen macht over goed of kwaad voor mijzelf. En als ik het onzienlijke kende zou ik een overvloed van goed hebben bemachtigd en het kwade zou mij niet hebben gedeerd. Ik ben slechts een waarschuwer en een drager van goede tijding voor een volk dat gelooft."

189. Hij is het, Die u uit een enkele ziel heeft geschapen en daaruit haar gade maakte, opdat deze troost in haar mocht vinden. En nadat hij haar bekend heeft, draagt zij een lichte last en gaat er mede rond. En wanneer deze zwaar wordt, bidden zij beiden tot Allah hun Heer: "Als U ons een goed kind geeft, zullen wij zeker tot de dankbaren behoren."

190. Maar als Hij hun een welgeschapen kind geeft, schrijven zij deelgenoten aan Hem toe, betreffende hetgeen Hij hun beiden heeft gegeven. Maar Allah is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

191. Vereenzelvigen zij met Allah degenen die niets scheppen terwijl deze zelf geschapen zijn?

192. En zij kunnen anderen geen hulp verlenen noch kunnen zij zichzelf helpen.

193. En als u hen tot leiding roept zullen zij u niet volgen. Het is gelijk of u hen roept of zwijgt.

194. Voorwaar, degenen die u naast Allah aanroept zijn dienaren, zoals u. Roept hen dan aan en laat hen u verhoren als u waarheid spreekt.

195. Hebben zij voeten waarmede zij lopen of hebben zij handen waarmede zij vasthouden, of hebben zij ogen waarmede zij zien of hebben zij oren waarmede zij horen? Zeg: "Roept de deelgenoten aan. Smeedt plannen tegen mij (profeet) en geeft mij geen uitstel"

196. Waarlijk, mijn Beschermer is alleen Allah Die het Boek (de Koran) heeft geopenbaard. En Hij is de Beschermer der goeden.

197. En zij, die u naast Hem aanroept hebben geen macht om u te helpen noch kunnen zij zichzelf helpen.

198. En als u hen tot leiding uitnodigt horen zij u niet. En u ziet hen naar u kijken maar zij zien niet.

199. Neig u tot vergiffenis en spoor tot vriendelijkheid aan en wend u van de onwetenden af.

200. En als een boze ingeving van Satan u (tot het kwade) aanspoort, zoek dan uw toevlucht bij Allah; voorzeker, Hij is Alhorend, Alwetend.

201. Degenen die (God) vrezen, wanneer hen een boze neiging van Satan overvalt, gedenken Allah en ziet, zij zijn ziende.

202. En hun broederen trachten hen te doen toenemen in dwaling, maar zij falen niet.

203. En wanneer u hun geen teken brengt, zeggen zij: "Waarom verzint u het niet? " Antwoord: "Ik volg alleen hetgeen mij van mijn Heer wordt geopenbaard." Dit zijn de bewijzen van uw Heer en een leiding en een barmhartigheid voor een volk, dat gelooft.

204. En wanneer de Koran wordt voorgedragen, luistert er naar en weest stil, opdat u barmhartigheid moge geschieden.

205. En gedenk uw Heer, 's morgens en 's avonds in uw gedachte met nederigheid en vrees en zonder luidruchtigheid van spraak en behoor niet tot de onachtzamen.

206. Waarlijk, degenen die dicht bij uw Heer zijn wenden zich niet met trots van Zijn aanbidding af maar zij verheerlijken Hem en werpen zich voor Hem neder.


8. De Oorlogsbuit (Al-An'faal)


Please report broken links to the Webmaster.

Sign or Visit My Guestbook

Last modified: 2007-05-05

This is copyrighted information presented under the Fair Use Doctrine of the United States Copyright Act (section 107 of title 17) which states: 'the fair use of a copyrighted work...for purposes such as criticism, comment, news reporting, teaching, scholarship, or research, is not an infringement of copyright.' In practice the courts have decided that anything which does not financially harm the copyright holder is fair use.

This is a Non-Profit Web page, © 1998-2007 L.C.Geerts The Netherlands all rights reserved.

It is strictly forbidden to publish or copy anything of my book without permission of the author, permission is granted for the recourses, for personal use only.