2 Al-Baqarah (De Koe)
Dit hoofdstuk heeft 40 paragrafen en 286 verzen.
Geopenbaard te Medina.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Alif Laam Miem.
2. Dit is het boek (de Koran) waaraan geen twijfel is, een richtsnoer voor de Moettaqoen.
3.(Dit zijn) Degenen die in de Ghayb geloven en het gebed onderhouden en die uitgeven van hetgeen Wij (Allah) hun hebben voorzien.
4. En degenen die geloven in hetgeen wat aan jou (Mohammed) is geopenbaard en in hetgeen wat vòòr jou is geopenbaard (openbaringen aan voorgaande profeten) en die overtuigd zijn in het bestaan van het Hiernamaals.
5. Zij zijn degenen die de juiste leiding van hun Heer volgen en zij zijn de succesvollen.
6. Voorzeker, zij die niet geloven voorhun maakt het niet uit of jij hen waarschuwt of niet, zij zullen niet geloven.
7. Allah heeft hun harten en oren verzegeld en over hun ogen is een bedekking. Voor hun is er een zware straf.
8. En er zijn mensen (hypocrieten), die zeggen: "Wij geloven in Allah en in de laatste Dag, hoewel zij geen gelovigen zijn."
9. Zij trachten Allah en de gelovigen te bedriegen, zij misleiden echter niemand dan zichzelf maar zij beseffen het niet.
10. In hun hart is er een ziekte (twijfel en schijnheiligheid) en Allah heeft hun ziekte verergerd. Er wacht hun een pijnlijke straf af, omdat zij plachten te liegen.
11. En als er tot hun wordt gezegd: "Richt geen onheil op aarde aan" dan zeggen zij: "Wij zijn slechts vredestichters".
12. Voorzeker, zij zijn het die onheil stichten, maar zij beseffen het niet.
13. En wanneer tegen hun wordt gezegd: "Geloof, zoals mensen geloven", zeggen zij: "Zullen wij geloven, zoals de dwazen hebben gelooft?" Voorzeker, Zij zijn de dwazen, maar zij beseffen het niet.
14. En wanneer zij de gelovigen ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven", maar wanneer zij alleen zijn met hun Satans , zeggen zij: "Wij zijn zeer zeker met u, wij spotten slechts."
15. Allah spot met hen en laat hen toenemen in hun slechte daden, zodat zij blindelings zullen dwalen.
16. Zij zijn het die leiding verruild hebben voor dwaling, daarom levert hun handel geen winst op. Zij zijn niet geleid.
17. Hun overeenkomsten is als de overeenkomst van iemand die een vuur ontstak en wanneer het (vuur) zijn omgeving verlichtte, nam Allah hun licht weg en liet hen in diepe duisternis, zodat zij niet meer konden zien.
18. Zij zijn doof, stom en blind, daarom keren zij niet terug (naar het rechte pad).
19. Of netals (de overeenkomst met) een zware regenbui uit de hemel met dichte duisternis, donder en bliksem. zij stoppen hun vingers in hun oren vanwege de donderslagen, uit doodsangst. Maar Allah omringt de ongelovigen.
20. Bijna neemt de bliksem hun het gezichtsvermogen weg. Telkens wanneer deze hen verlicht, lopen zij, maar wanneer het weer donker wordt dan staan zij stil. En, als Allah het wilde, kon hij hun gehoor- en gezichtsvermogen ontnemen. Waarlijk, Allah heeft macht over alle dingen.
21. O mensen, aanbidt uw Heer, die u en degenen die vòòr u waren heeft geschapen. Hopelijk zullen jullie tot Moettaqoens (Allah vrezenden) behoren.
22. Die de aarde voor jullie tot een rust plaats maakte en de hemel tot een gewelf (deken). En die water van de wolken doet stromen en daardoor vruchten voortbrengt, als voedsel voor u. Ken daarom geen deelgenoten aan Allah toe, terwijl jullie weten (dat hij alleen het recht heeft aangebeden te worden).
23. En, indien u in twijfel verkeert omtrent hetgeen Wij aan Onze dienaar (Mohammed) hebben geopenbaard, probeer dan een dergelijk hoofdstuk voort te brengen en roep uw helpers buiten Allah, als u waarachtig bent.
24. Maar, indien u het niet kunt doen - en u zult het nooit kunnen doen - wacht u dan voor het vuur, dat voor de ongelovigen is bereid, waarin mensen en stenen als brandstof dienen.
25. En verkondig aan degenen, die geloven en goede werken doen de blijde tijding, dat er tuinen (het paradijs) voor hen zijn, waardoorheen rivieren stromen. Telkens, wanneer hun van de vruchten hieruit wordt geschonken, zullen zij zeggen: "Ziehier, hetgeen ons reeds voorheen werd gegeven"; en hun werd het soortgelijke gegeven. En zij zullen er reine metgezellen hebben en zij zullen er vertoeven.
26. Waarlijk, Allah acht het niet beneden zich, een mug of iets nog kleiners als gelijkenis te stellen. Zij die geloven weten, dat dit de Waarheid van hun Heer is, terwijl degenen, die niet geloven, zeggen:"Wat bedoelt Allah met zulk een voorbeeld?" Velen laat Hij daardoor dwalen en velen leidt Hij daardoor terecht - en niemand laat Hij daarmede dwalen, dan de ongehoorzamen,
27. Die het verbond met Allah breken na de bekrachtiging er van en datgene, wat Allah gebood te verenigen, scheiden en die onheil op aarde stichten, dezen zijn de verliezers.
28. Hoe kunt u Allah verwerpen, terwijl u levenloos was en Hij u leven schonk? Hij zal u doen sterven en daarna zal Hij u doen herleven en dan zult u tot Hem worden teruggebracht.
29. Hij is het, Die alles, wat op aarde is, voor u schiep: daarna wendde Hij Zich tot de hemel en vervolmaakte deze tot zeven hemelen, want Hij heeft kennis van alle dingen.
30. En toen uw Heer tot de engelen zei: "Ik wil een stedehouder op aarde plaatsen," zeiden zij: "Wilt U er iemand plaatsen die er onheil zal stichten en bloed zal vergieten, terwijl wij U verheerlijken met de lof die U toekomt en Uw Heiligheid prijzen," antwoordde Hij: "Ik weet wat u niet weet."
31. En Hij leerde Adam al de namen. Dan plaatste Hij (de voorwerpen dezer) namen voor de engelen en zeide: "Noemt Mij hun namen, indien u in uw recht staat."
32. Zij zeiden: "Heilig bent U. Wij bezitten geen kennis, buiten hetgeen U ons heeft geleerd; waarlijk, U bent de Alwetende, de Alwijze.
33. Hij zei: "O, Adam, zeg hun de namen van deze dingen", en toen hij de namen had genoemd, zei Hij: "Zei Ik u niet: Waarlijk Ik ken de geheimen der hemelen en der aarde en Ik weet, wat u onthult en wat u verbergt?"
34. En toen Wij tot de engelen zeiden: "Onderwerpt u aan Adam", onderwierpen zich allen, behalve Iblies. Hij weigerde, hij was hoogmoedig. Hij behoorde tot de ongelovigen.
35. En Wij zeiden: "O Adam, verblijf u met uw gade in de tuin en eet overvloedig, waar u ook wilt, doch nader deze boom niet, anders zult u tot de zondaren behoren."
36. Maar door middel van de boom verleidde Satan hen beiden en dreef hen uit de staat waarin zij zich bevonden. En Wij zeiden: "Gaat heen - u bent elkander vijandig. Er zal op aarde een tijdelijke woonplaats en levensonderhoud voor u zijn."
37. Toen leerde Adam enkele woorden van zijn Heer. Zo schonk Hij hem vergiffenis; gewis Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol.
38. Wij zeiden: "Gaat allen weg van hier. En, indien er leiding van Mij tot u komt, zullen zij, die Mijn leiding volgen, vrees noch droefheid kennen.
39. Maar zij, die niet geloven en Onze tekenen verloochenen, zullen de bewoners van het Vuur zijn; zij zullen daarin verblijven.
40. "O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, welke Ik u bewees en weest getrouw aan Mijn verbond. Ik zal Mijn verbond met u houden en Mij alleen zult u vrezen.
41. En gelooft in hetgeen Ik heb geopenbaard, vervullende datgene, wat u reeds bezit en weest niet de eersten, die het verwerpen; verruilt evenmin mijn tekenen voor geringe prijs en zoekt bescherming in Mij alleen.
42. En verwart de waarheid niet met de onwaarheid, noch verbergt de waarheid tegen beter weten in.
43. En houdt het gebed en betaalt de Zakaat en bidt met hen, die bidden.
44. Beveelt u de mensen het goede te doen en vergeet daarbij u zelf, hoewel u het Boek leest? Wilt u dan niet begrijpen?
45. Zoekt hulp door geduld en gebed; dit is inderdaad moeilijk, behalve voor de ootmoedigen,
46. Die er zeker van zijn, dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat zij tot Hem zullen wederkeren.
47. O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, die Ik u bewees, dat Ik u boven de volkeren verhief.
48. En vreest de Dag, dat de ene ziel de andere niet zal kunnen helpen, waarop voor haar noch voorspraak zal worden aanvaard, noch een losprijs zal worden aangenomen, noch zij zullen worden geholpen.
49. En toen Wij u redden van Pharao's volk, dat u met bittere marteling kwelde, Uw zonen dodend en uw vrouwen sparend; hierin was voor u een zware beproeving van uw Heer.
50. En toen Wij de zee voor u spleten en u redden en Pharao's volk lieten verdrinken, terwijl u toezaagt.
51. En toen Wij met Mozes een tijd afspraken van veertig nachten; toen naamt u in zijn afwezigheid het kalf, (om het te aanbidden) en u werdt overtreders.
52. Daarna vergaven Wij u, opdat u dankbaar zult zijn.
53. En toen gaven Wij Mozes het Boek en het oordeel des onderscheids, opdat u recht geleid zult worden.
54. En toen Mozes tot zijn volk zei: "O mijn volk, u heeft uzelf onrecht aangedaan door het kalf te aanvaarden: derhalve keert terug tot Uw Schepper en doodt uw eigen ik, dat is het beste voor u in het oog van uw Schepper". Daarna wendde Hij zich genadig tot u. Voorzeker, Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol.
55. En toen u zei: "O Mozes, wij zullen u geenszins geloven, totdat wij Allah van aangezicht tot aangezicht zien", toen trof u een donderslag, terwijl u toezaagt.
56. Toen deden Wij u verrijzen na uw dood, opdat u dankbaar zult zijn.
57. En Wij deden de wolken een schaduw over u zijn en zonden u manna en kwartels, (zeggende): "Eet van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien." Zij schaadden Ons niet, maar zij plachten hun eigen ziel te schaden.
58. En toen Wij zeiden: "Gaat in deze stad en eet er overvloedig, waar u ook wilt; treedt de poort onderdanig binnen en vraagt om vergiffenis. Wij zullen u uw fouten vergeven en Wij zullen meer geven aan degenen, die goed doen."
59. Maar de onrechtvaardigen vervingen het woord door een ander, dat niet tegen hen gesproken was. Daarom zonden Wij over de onrechtvaardigen een grote straf vanuit de hemel, omdat zij plachten te overtreden.
60. En toen Mozes om water voor zijn volk bad zeiden Wij: "Sla op de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen aan, waardoor elke stam zijn drinkplaats kende. Eet en drinkt van wat Allah heeft voortgebracht en wandelt niet op aarde, onheil stichtende.
61. En toen u zei: "O Mozes, wij verdragen niet langer één soort voedsel, bid daarom voor ons tot uw Heer, dat Hij van hetgeen op aarde groeit - groenten en komkommers en tarwe en linzen en uien - voor ons voortbrenge," zei Hij: "Zoudt u hetgeen minderwaardig is in ruil willen nemen voor hetgeen beter is? Gaat naar een stad, daar zult u vinden, waarom u vraagt." En zij kwamen in vernedering en armoede en brachten Allah's toorn over zich; dit kwam, omdat zij de tekenen van Allah verwierpen en de profeten onrechtvaardig doodden, want zij waren ongehoorzaam en telkens weer in overtreding.
62. Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen - wie onder hen ook in Allah en de laatste Dag geloven en goede daden verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren.
63. En toen Wij een verbond met u aangingen en de berg hoog boven u verhieven, zeiden Wij: "Houdt vast, wat Wij u hebben gegeven en bedenkt wat het bevat, zodat u behoed zult worden."
64. Maar u wende u af en, had Allah u Zijn genade en barmhartigheid niet betoond, dan zult u zeker zijn ondergegaan.
65. U heeft degenen onder u gekend, die inzake de Sabbath overtraden. Alzo zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."
66. Zo maakten Wij hen tot een voorbeeld voor hen die in die tijd leefden en voor degenen, die na hen kwamen en tot een les voor de godvrezenden.
67. En toen Mozes tot zijn volk zei: "Waarlijk, Allah gebiedt u, een koe te slachten", zeiden zij: "Drijft u de spot met ons?" Hij zei: "Ik zoek toevlucht bij Allah, om niet tot de onwetenden te behoren."
68. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, opdat Hij het ons duidelijk make, wat voor een koe dit moet zijn." Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een koe moet zijn, noch oud, noch jong, volwassen, tussen beide in - doet nu, wat u geboden is."
69. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij het ons duidelijk make, welke kleur zij heeft" Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een gele koe is met een diepe kleur, aangenaam voor hen, die haar zien."
70. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij ons mededele, hoe zij is, want al zulke koeien zien er voor ons gelijk uit; en als Allah het wil, zullen wij juist worden geleid."
71. Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een koe is, die nog nooit afgericht is geweest, om de aarde te beploegen, of de akkers te bevloeien, een koe, gaaf en vlekkeloos." Zij zeiden: "Nu heeft u het precies gezegd." Toen slachtten zij haar, maar liever hadden zij het niet gedaan.
72. En toen u trachtte een mens te doden en onder elkander er over twistte, was Allah de onthuller van wat u verborgen hieldt.
73. Toen zeiden Wij: "Treft hem (de moordenaar) voor een gedeelte van het vergrijp tegen hem (de gedode)". Aldus geeft Allah leven aan de doden en toont u Zijn tekenen, opdat u zult begrijpen.
74. Daarna verhardde zich uw hart. Zij zijn als stenen, of nog harder, want er zijn stenen, waaruit stromen ontspringen en er zijn er zeker, die splijten en er vloeit water uit. En sommige zijn er die uit vrees voor Allah neervallen. En Allah is niet achteloos, ten opzichte van wat u doet.
75. Verwacht u, dat zij u zullen geloven, terwijl een aantal hunner het woord van Allah heeft vernomen en het verdraait, nadat zij het hebben begrepen, tegen beter weten in.
76. Wanneer zij de gelovigen ontmoeten zeggen zij: "Wij geloven" en wanneer zij onder elkander zijn zeggen zij: "Verhaalt u hun, wat Allah u heeft geopenbaard, zodat zij daardoor met u kunnen redetwisten voor uw Heer." Wilt u dan niet begrijpen?
77. Begrijpen zij dan niet, dat Allah weet, wat zij verbergen en wat zij openbaar maken?
78. En sommigen hunner zijn ongeletterd; zij weten niets van het Boek, maar hebben hun valse denkbeelden: zij vermoeden slechts.
79. Wee daarom degenen, die een boek met hun eigen handen schrijven en dan zeggen: "Dit is van Allah ", opdat zij er een onwaardige prijs voor kunnen nemen. Wee hun dan, voor hetgeen hun handen schrijven en wee hun voor hetgeen zij verdienen.
80. En zij zeggen: "Het Vuur zal ons slechts voor een klein aantal dagen deren". Vraag hun: "Heeft u dan een woord van Allah verkregen? Dan zal Allah Zijn belofte nooit breken. Of zegt u iets over Allah, dat u niet weet?
81. Voorzeker, die kwaad doet en door zijn zonden is omringd - zij zijn de bewoners van het Vuur; daarin zullen zij verblijven.
82. Maar zij, die geloven en goede werken doen, - zij zijn de bewoners van de Hemel, daarin zullen zij verblijven.
83. En toen Wij een verbond sloten met de kinderen Israëls, zeiden Wij, dat u niemand zult aanbidden, dan Allah alleen en dat u goed zult zijn voor uw ouders, uw verwanten, de wezen en de armen; spreekt goed tegen de mensen en houdt het gebed en geeft de Zakaat. Maar u wende u af, - behalve weinigen onder u, en u bent afkerig.
84. En toen Wij een verbond met u sloten: "U zult uw bloed niet vergieten noch uw volk uit hun huizen verdrijven", toen heeft U dit bekrachtigd en u was er getuige van.
85. Toch bent u het volk, dat uw eigen broeders doodt en een gedeelte van uw volk uit hun huizen verdrijft, elkaar tegen hen helpende in zonde en overtreding. En, indien zij als gevangenen tot u terugkomen, koopt u hen vrij, terwijl juist hun verdrijving voor u verboden was. Gelooft u dan slechts in een gedeelte van het Boek en verwerpt u een ander gedeelte? Er is geen beloning voor degenen uwer, die zulks doen, behalve schande in dit leven; en op de Dag van Opstanding zullen zij de strengste kastijding moeten ondergaan, want Allah is niet onachtzaam betreffende hetgeen u doet.
86. Dezen zijn het, die het Hiernamaals voor het tegenwoordig leven hebben verkocht. Derhalve zal hun straf niet worden verzacht, noch zullen zij worden geholpen.
87. Voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek en deden boodschappers de een na de ander zijn voetsporen volgen. En Wij gaven aan Jezus, zoon van Maria, duidelijke tekenen en versterkten hem met de geest der heiligheid. Telkens als een boodschapper tot u kwam, met hetgeen uw ziel niet behaagde, heeft u laatdunkend gedragen, sommigen hunner heeft u verloochend en anderen gedood.
88. En zij zeiden: "Ons hart is verhuld. "Nee, Allah heeft hen vanwege hun ongeloof vervloekt. Weinig is derhalve hetgeen zij geloven.
89. En toen een Boek van Allah tot hen kwam, vervullend datgene, dat bij hen was, hoewel zij voordien om overwinning over de ongelovigen plachten te bidden, toen dat tot hen kwam, herkenden zij dat niet en verwierpen het. Gods vloek rust derhalve op de ongelovigen.
90. Kwaad is datgene, waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; daar zij verwerpen, hetgeen Allah heeft geopenbaard, er afkerig van zijnde, dat Allah Zijn genade doet dalen over diegenen Zijner dienaren, die Hij wil. Daardoor brachten zij toorn op toorn over zich en er is een vernederende kastijding voor de ongelovigen.
91. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Gelooft in hetgeen Allah heeft geopenbaard," zeggen zij: "Wij geloven slechts in hetgeen ons is geopenbaard," maar zij verwerpen hetgeen daarna is geopenbaard, hoewel het de Waarheid is, vervullende wat zij reeds bezaten. Zeg hun "Waarom heeft u dan de vroegere profeten van Allah gedood, als u inderdaad gelovigen was?"
92. En Mozes kwam voorzeker tot u met duidelijke tekenen, maar u heeft in zijn afwezigheid het (gouden) kalf genomen (om het te aanbidden) en u was onrechtvaardig.
93. En toen Wij een verbond met U sloten en de berg (Sinaï) hoog boven u verhieven, zeggende: "Houdt stevig vast, hetgeen Wij u gegeven hebben en luistert," zeiden zij: "Wij horen, maar wij gehoorzamen niet"; hun hart was vervuld van het kalf, wegens hun ongeloof. Zeg: "Slecht is hetgeen uw geloof u oplegt, zo u al enig geloof bezit".
94. Zeg: "Indien het tehuis van het Hiernamaals, bij Allah alleen voor u is, met uitsluiting van andere mensen, wenst dan eer de dood, als u te goeder trouw bent".
95. Maar zij zullen deze nooit wensen, wegens het werk hunner handen. En Allah kent de boosdoeners goed.
96. Voorzeker, u zult hen (Joden) het meest van alle mensen verlangend naar het leven vinden, zelfs meer dan de afgodendienaren. Ieder van hen wenst, dat hem een leven van duizend jaren geschonken moge worden, maar al ware hem zulk een lang leven vergund, dan zou het hem tegen de straf toch niet beschermen. Allah ziet hetgeen zij doen.
97. Zeg: "Al wie een vijand van Gabriël is" - want waarlijk, hij openbaarde het op Allah's bevel aan uw hart, vervullende datgene, wat voordien kwam, een leidraad zijnde en een blijde mare voor de gelovlgen. -
98. "Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn boodschappers en Gabriël en Michaël, waarlijk, Allah is een vijand van zulke ongelovigen."
99. En Wij hebben u voorzeker duidelijke tekenen gegeven en niemand, dan de overtreders, verwerpt ze.
100. Hoe kwam dat? Telkens wanneer zij een verbond aangingen, schond een gedeelte hunner het. Nee, de meesten hunner geloven niet.
101. En nu er een boodschapper van Allah tot hen is gekomen, vervullend wat zij reeds bezaten, heeft een gedeelte der mensen van het Boek, Allah's Boek achter zich geworpen, alsof zij het niet kenden.
102. En zij volgen dezelfde weg, die de duivels volgden tegen de regering van Salomo - en Salomo was niet ongelovig, maar ongelovig waren de duivels en zij leerden de mensen leugen en bedrog. En (zij handelen naar) hetgeen aan de twee engelen, Haroet en Maroet te Babylon was geopenbaard. Maar deze beiden leerden niemand, voordat zij hadden gezegd: "Wij zijn slechts een beproeving; weest daarom niet ongelovig". Zo leren zij (de mensen) van hen datgene waarmede zij een geschil maken tussen een man en zijn vrouw, maar zij schaden er niemand mede, tenzij door Allah's bevel; maar dezen leren wat hen schaadt en geen goed doet, hoewel zij weten, dat hij, die in deze zaken handelt geen voordeel heeft in het Hiernamaals; slecht is hetgene waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; hadden zij het slechts ingezien!
103. Indien zij hadden geloofd en rechtvaardig gehandeld, zou een schonere beloning van Allah gewis hun deel zijn geweest, hadden zij het slechts geweten.
104. O, u die gelooft, zegt niet: "Raainaa", maar zegt: "Onzornaa" en luistert. Er is voor de ongelovigen een pijnlijke straf.
105. Zij die niet geloven onder de mensen van het Boek, en de afgodendienaren, gunnen niet, dat iets goeds tot u nedergezonden wordt van uw Heer; maar Allah kiest voor Zijn barmhartigheid, wie Hij wil en Allah is de Heer van grote genade.
106. Welk teken Wij ook opheffen of doen vergeten, daarvoor brengen Wij betere of daaraan gelijke. Weet u niet, dat Allah macht heeft over alle dingen?
107. Weet u niet, dat het koninkrijk der hemelen en der aarde aan Allah behoort? En buiten Allah is er geen beschermer of helper voor u.
108. Zoudt u de boodschapper die tot u werd gezonden, willen ondervragen, zoals - Mozes voorheen werd ondervraagd? Maar wie ongeloof in ruil neemt voor geloof, is voorzeker van het rechte pad afgedwaald.
109. Velen van de mensen van het Boek, wensen, nadat u gelovig geworden bent, u uit afgunst weder tot ongelovigen te maken, nadat de Waarheid hun is duidelijk geworden. Maar vergeeft en weest toegefelijk totdat Allah Zijn gebod uitbrengt. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.
110. En onderhoudt het gebed en betaalt de Zakaat; het goede dat u vooruit zendt voor uzelf, u zult het bij Allah vinden. Voorzeker, Allah ziet al hetgeen u doet.
111. En zij zeggen: "Niemand, behalve de Joden en de Christenen, zal ooit de Eemel binnengaan." Dat zijn hun ijdele wensen. Zeg: "Toont uw bewijs, als u waarachtig bent".
112. Nee, wie zich volledig aan Allah onderwerpt en goede daden verricht, zal zijn beloning bij zijn Heer hebben. Vrees noch droefheid zal over hem komen.
113. De Joden zeggen: "De Christenen hebben geen ware grondslag en de Christenen zeggen: "De Joden hebben geen ware grondslag", terwijl zij beiden hetzelfde Boek lezen. Hetzelfde zeggen degenen, die geen kennis hebben. Maar Allah zal op de Dag der Opstanding uitspraak doen in hun geschil.
114. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die verbiedt, dat de naam van Allah wordt verheerlijkt in Allah's bedehuizen en deze tracht te vernietigen? Zij behoorden (de bedehuizen) slechts in vreze binnen te gaan. Er is schande over hen in deze wereld en er zal een grote straf voor hen zijn in het Hiernamaals.
115. En aan Allah behoort het Oosten en het Westen; waarheen u ook wendt, daar zal het Aangezicht van Allah zijn. Zeker, Allah is Alomvattend, Alwetend.
116. En zij zeggen: "Allah heeft Zich een zoon verwekt. Heilig is Hij. Nee, alles, wat in de hemelen en op aarde is, behoort Hem toe en alles gehoorzaamt Hem.
117. Wondere Schepper van de hemelen en aarde. Wanneer Hij iets besluit, zegt Hij slechts: "Wees" en het wordt".
118. En de onwetenden zeggen: "Waarom spreekt Allah niet tot ons, of, komt er geen teken tot ons?" Zo spraken ook degenen, die vòòr hen waren. Hun harten zijn aan elkander gelijk. Wij hebben de tekenen voorzeker duidelijk gemaakt, voor een volk, dat standvastig gelooft.
119. Voorzeker Wij hebben u als drager van blijde tijdingen en waarschuwer gezonden met de Waarheid. En u zult niet verantwoordelijk worden gesteld voor de bewoners der hel.
120. En de Joden en de Christenen zullen u nooit welgezind zijn, tenzij u hun godsdienst belijdt. Zeg: "Voorzeker, Allah's leiding is de Merkelijke leiding". En, indien u hun wensen volgt, nadat de kennis tot u is gekomen, zult u aan Allah Vriend noch Helper hebben.
121. Zij, wie Wij het Boek hebben gegeven, volgen het na, zoals het behoort te worden nagevolgd; dezen zijn het, die er in geloven. En die er niet in geloven, zullen de verliezers zijn.
122. O, u kinderen Israëls, gedenkt Mijn gunsten die Ik u bewees, dat Ik u boven die volkeren verhief.
123. En vreest de Dag, waarop geen ziel een andere ziel van nut kan zijn, waarop geen losprijs van haar zal worden aanvaard, geen voorspraak haar zal baten, noch zullen zij worden geholpen.
124. En toen Abrahams Heer hem met zekere opdrachten beproefde en Abraham deze vervulde, zei Hij: "Ik zal u tot leider der mensen maken". Abraham vroeg: "En van mijn nakomelingen?" Hij zeide: "Mijn verbond betreft de overtreders niet".
125. En toen Wij het Huis tot een plaats van verzameling voor de mensheid en een toevluchtsoord maakten, zeggende: "Neemt de plaats van Abraham als een plaats voor gebed". En Wij geboden Abraham en Ismaël, zeggende: "Reinigt Mijn Huis voor degenen, die de ommegang verrichten en voor degenen, die er toegewijd in verblijven en voor degenen, die zich neder buigen en zich ter aarde werpen.
126. En toen Abraham bad: "Mijn Heer, maak deze plaats toch tot een oord van vrede en geef vruchten aan haar bewoners, die aan Allah en de laatste dag geloven", zei Hij: "Ik zal voor een korte tijd ook aan hem, die niet gelooft weldaden schenken, daarna zal Ik hem in het Vuur drijven: het is een slechte verblijfplaats".
127. En toen Abraham en Ismaël de muren van het Huis optrokken, biddende: "Heer, aanvaard dit van ons, want U bent de Alhorende, de Alwetende,
128. Heer, maak ons beiden aan U onderdanig en maak van ons nageslacht een volk, dat U onderdanig zij. En toon ons onze wijzen van aanbidding en wend U met barmhartigheid tot ons, zeker, U bent Berouwaanvaardend en Genadevol.
129. Heer, doe onder hen een boodschapper opstaan, die hun Uw tekenen zal verkondigen en hun het Boek en de Wijsheid zal verklaren en hen zal louteren. Voorzeker, U bent de Almachtige, de Alwijze.
130. En wie zal zich van het geloof van Abraham afwenden, behalve hij, die dwaas tegen zichzelf handelt? Voorzeker, Wij hebben hem in deze wereld uitverkoren en in de volgende zal hij gewis onder de rechtvaardigen zijn.
131. Toen zijn Heer tot hem zei: "Onderwerp U", zei hij: "Ik heb mij aan de Heer der Werelden onderworpen".
132. En hetzelfde legde Abraham aan zijn zonen op en Jacob deed desgelijks, zeggende: "O mijn zonen, Allah heeft waarlijk dit geloof voor u verkozen, sterft daarom niet, tenzij u Moslims bent."
133. Of was u aanwezig, toen de dood tot Jacob kwam en hij tot zijn zonen zei: "Wat zult u na mij aanbidden?" Zij antwoordden: "Wij zullen uw God aanbidden, de God uwer vaderen, Abraham, Ismaël en Izaäk, de enige God, aan Hem zijn wij onderworpen".
134. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen u verdient en u zult niet worden ondervraagd over hetgeen zij plachten te doen.
135. En zij zeggen: "Weest Joden of Christenen, dan zult u worden geleid". Zeg (hun): "Nee, maar (volg) de godsdienst van Abraham, de oprechte: hij behoorde niet tot de afgodendienaren".
136. Zegt: "Wij geloven in Allah en in hetgeen ons is geopenbaard en in hetgeen tot Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen werd nedergezonden en in hetgeen aan Mozes en Jezus werd gegeven en in hetgeen aan alle andere profeten werd gegeven door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem onderwerpen wij ons.
137. En indien zij geloven, zoals u heeft geloofd, dan zijn zij juist geleid, maar indien zij zich afwenden, dan zijn zij in verzet; Allah zal u zeker voldoende zijn tegen hen, want Hij is de Alhorende, de Alwetende.
138. Maakt Allah's kleur tot de uwe en wie is beter in kleur, dan Allah? Hem alleen aanbidden wij.
139. Zeg: "Twist u met ons omtrent Allah, terwijl Hij uw Heer en onze Heer is? En voor ons zijn onze werken en voor u uw werken. En Hem alleen zijn wij oprecht toegewijd.
140. Zegt u, dat Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen Joden of Christenen waren? Zeg: "Weet u het beter of Allah?" En wie is onrechtvaardiger, dan hij, die een getuigenis verbergt, die hij van Allah heeft? En Allah is niet onbekend met hetgeen u doet.
141. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen u verdient; en u zult niet worden ondervraagd over hetgeen zij deden.
142. De dwazen onder het volk zullen zeggen: "Wat heeft hen van hun Qiblah, die zij volgden, afgekeerd?" Zeg: "Aan Allah behoort het Oosten en het Westen. Hij leidt, wie Hij wil naar het rechte pad".
143. En zo hebben Wij u tot een verheven volk gemaakt, opdat u getuige zult zijn tegenover de mensen en de Gezant zij een getuige tegenover u. Wij bepaalden de Qiblah, die u volgdet slechts, opdat Wij hem, die de gezant van Allah volgt, onderscheiden van degene die hem de rug toekeert. En dit is inderdaad zeer moeilijk, behalve voor hen, die Allah heeft geleid. En Allah zal u uw geloof niet doen verliezen; voorzeker, Allah is Liefderijk en Genadevol jegens de mensen.
144. Waarlijk, Wij zien uw aangezicht zich naar de hemel wenden, daarom zullen Wij u tot beheerder maken van de Qiblah, die u behaagt. Wend daarom uw aangezicht naar de Heilige Moskee en waar u ook moogt zijn, wendt uw aangezicht daarheen. En voorzeker, zij wie het Boek is gegeven, weten, dat dit de Waarheid is van hun Heer; Allah is niet achteloos ten aanzien van wat zij doen.
145. Zelfs al bracht u elk teken aan degenen aan wie het Boek is gegeven, zouden zij nooit uw Qiblah volgen, noch kunt u hun Qiblah volgen, noch zijn er onder hen, die de Qiblah van anderen volgen. En indien u aan hun wens zult voldoen, nadat kennis tot u is gekomen, zult u zeker tot de onrechtvaardigen behoren.
146. Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven erkennen dit, zoals zij hun zonen erkennen, maar voorzeker, sommigen hunner verbergen de Waarheid tegen beter weten in.
147. De Waarheid is van uw Heer, schaar u daarom niet onder hen die twijfelen.
148. Iedereen heeft een richting, waarheen hij zich wendt, wedijvert daarom met elkander in goede werken. Waar u ook bent, Allah zal u allen tezamen brengen. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.
149. Vanwaar u ook komt, wend uw aangezicht naar de Heilige Moskee, want dat is inderdaad de Waarheid van uw Heer. En Allah is niet achteloos ten aanzien van hetgeen u doet.
150. Vanwaar u ook komt, wend uw aangezicht naar de Heilige Moskee; waar u ook bent, wendt uw aangezicht daarheen, opdat de mensen, met uitzondering van de onrechtvaardigen geen bezwaar tegen u mogen aanvoeren - vreest hen dus niet, maar vreest Mij - en opdat Ik Mijn gunst aan u moge voltooien en opdat u juist geleid moogt worden.
151. Omdat Wij uit uw midden een boodschapper hebben gezonden, die u Onze tekenen verkondigt, u zuivert, u het Boek en de Wijsheid onderwijst en u leert, hetgeen u niet wist.
152. Gedenkt Mij daarom en Ik zal u gedenken en weest Mij dankbaar en weest Mij niet ondankbaar.
153. O, u die gelooft, zoekt hulp met geduld en gebed; voorzeker, Allah is met de geduldigen.
154. En zegt niet van degenen, die voor Allah's zaak zijn gedood, dat zij dood zijn - nee, zij leven, maar u bemerkt het niet.
155. En Wij zullen u een weinig beproeven door vrees, honger, verlies van bezittingen, levens en vruchten; maar verkondig blijde tijdingen aan de geduldigen,
156. Zij die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt, zeggen: "Voorzeker, wij zijn van Allah en tot Hem zullen wij wederkeren".
157. Dezen zijn het, op wie de zegeningen en de barmhartigheid van hun Heer rusten en dezen zijn het, die de rechte weg volgen.
158. Voorzeker, Safaa en Marwah zijn onder de tekenen van Allah. Er rust derhalve op hem, die de Hadj (pelgrimstocht) doet, of (of soms) de Omrah verricht, geen blaam, indien hij om beiden (heen) loopt. En wie vrijwillig goed doet, voorzeker, Allah is Waarderend, Alwetend.
159. Voorzeker, degenen, die hetgeen Wij aan tekenen en leiding hebben nedergezonden, verbergen, nadat Wij het Boek aan de mensen duidelijk hebben gemaakt, zijn het, die Allah vervloekt en zij die het recht hebben te vervloeken, vervloeken hen ook.
160. Maar zij, die berouw hebben en zich beteren en (de Waarheid) verkondigen, dezen zijn het, tot wie Ik Mij met vergiffenis wend - Ik ben Berouwaanvaardend, Genadevol.
161. Voorzeker, die verwerpen en als ongelovigen sterven, over hen zal de vloek komen van Allah en van de engelen en van alle mensen.
162. Daarin zullen zij blijven. Hun straf zal niet worden verlicht, noch zal hun uitstel worden verleend.
163. En uw God is één God, er is geen God buiten Hem, de Barmhartige, de Genadevolle.
164. Voorwaar, in de schepping der hemelen en der aarde en in de wisseling van nacht en dag en in de schepen die de zee bevaren, met datgene wat de mensen tot voordeel strekt; en in het water dat Allah van de hemel nederzendt, waarmede Hij de aarde doet herleven na haar dood en daarop alle soorten dieren verspreidt, en in de verandering der winden, en in de wolken die tussen de hemel en de aarde in dienst zijn gesteld, zijn inderdaad tekenen voor een volk, dat begrijpt.
165. Onder de mensen zijn er, die voorwerpen van aanbidding buiten Allah nemen en ze liefhebben, zoals zij Allah behoren lief te hebben. Maar zij die geloven zijn sterker in hun liefde voor Allah. En als zij die overtreden (nu) de tijd kunnen zien wanneer zij de straf zullen zien, (dan zouden zij beseffen) dat alle macht aan Allah toebehoort en dat Allah streng is in het straffen.
166. Wanneer de leiders hun volgelingen zullen verzaken en de straf zullen bemerken en al hun banden zullen worden verbroken,
167. Zullen de volgelingen zeggen: "Indien wij slechts terug konden keren, zouden wij hen verzaken, zoals zij ons hebben verzaakt". Zo zal Allah aan hen hun werken tonen tot wroeging en zij zullen het Vuur niet kunnen ontkomen.
168. O u mensen, eet van hetgeen geoorloofd en goed is op aarde en treedt niet in de voetstappen van Satan; voorzeker, hij is voor u een openlijke vijand.
169. Hij gebiedt u alleen, wat kwaad en wat onrein is en dat u over Allah zegt, wat u niet weet.
170. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Volgt hetgeen Allah heeft geopenbaard", zeggen zij: "Nee, wij zullen datgene volgen, wat wij onze vaderen zagen volgen". Zelfs al hadden hun vaderen in het geheel geen verstand en volgden zij ook de rechte weg niet?
171. De ongelovigen gelijken op hem, die schreeuwt naar hetgeen niets hoort, het blijft een roep en een schreeuw. Zij zijn doof, stom en blind, zij begrijpen dus niet.
172. O u die gelooft, eet van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien en dankt Allah, indien u Hem alleen aanbidt.
173. Hij heeft u slechts het gestorvene, het bloed, het varkensvlees en datgene, waarover een andere naam, dan die van Allah is uitgeroepen, verboden. Maar hij, die gedwongen is en dit niet wenst en geen overtreder is, op hem rust geen zonde. Want Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
174. Voorzeker, zij, die datgene verbergen, wat Allah heeft geopenbaard, namelijk het Boek en het voor een geringe prijs verruilen, vullen hun buik met niets, dan Vuur. Allah zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken, noch zal Hij hen rein achten. Er wacht hun een pijnlijke straf.
175. Zij zijn het, die dwaling in ruil voor leiding hebben aanvaard en straf voor vergiffenis. Hoe groot is hun overmoed tegenover het Vuur!
176. Dit komt, omdat Allah het Boek met de Waarheid heeft nedergezonden en voorzeker, zij, die tegen het Boek ingaan, zijn in verregaand verzet.
177. Het is geen deugd, dat u uw gezicht naar het Oosten of naar het Westen wendt, maar waarlijke deugd is in hem, die in Allah, de Laatste Dag, de engelen, het Boek en de profeten gelooft en die van zijn vermogen geeft uit liefde voor Hem aan de verwanten, de wezen, de armen, de reiziger, de bedelaars en voor het vrijkopen van slaven en die het gebed onderhoudt en de Zakaat betaalt; verder in degenen, die hun belofte nakomen, wanneer zij een belofte doen en de geduldigen in armoede, in kwellingen en in oorlogstijd; dezen zijn het, die bewezen hebben, waarachtig te zijn en dezen zijn vromen.
178. O u die gelooft, vergelding inzake doodslag is u voorgeschreven: de vrije man tegen de vrije man, de slaaf tegen de slaaf en de vrouw tegen de vrouw. Maar, indien iemand kwijtschelding is verleend door zijn broeder, dan moet de eis billijk zijn, en betaling moet hem worden gedaan met goedheid. Dit is verzachting en barmhartigheid van uw Heer. Wie daarna overtreedt, hem wacht een pijnlijke straf.
179. En in vergelding is leven voor u, o mensen van begrip, zodat u behouden zult worden.
180. Het is u voorgeschreven, dat wanneer de dood tot één uwer komt, en hij een vermogen nalaat, hij een testament opmake voor ouders en naaste familieleden, billijkerwijze. Dit is een verplichting voor de godvruchtigen.
181. En hij, die het vervalst nadat hij het heeft gehoord, de schuld er van zal gewis op hem rusten, die dat verandert. Waarlijk, Allah is Alhorend, Alwetend.
182. Maar hij die vreest, dat degene, die het testament maakte, partijdig werd, of een fout heeft begaan, en die een schikking treft (tussen de belanghebbenden), die zal daarmede geen zonde begaan. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
183. O, u gelovigen, het vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen die vòòr u waren was voorgeschreven, opdat u vroom zult zijn.
184. Voor een zeker aantal dagen (zult u vasten) maar wie onder u ziek is, of op reis, vaste een aantal andere dagen - er is een losprijs voor degenen, die niet kunnen vasten - het voeden van een arme. Maar hij, die vrijwillig goed doet, het zal beter voor hem zijn. Het vasten is goed voor u, indien u het beseft.
185. De maand Ramadaan is die, waarin de Koran als een richtsnoer voor de mensen werd nedergezonden en als duidelijke bewijzen van leiding en onderscheid. Wie onder u daarom deze maand beleeft, laat hem daarin vasten. Maar wie onder u ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allah wenst gemak voor u en geen ongemak, en opdat u het aantal zult voltooien en opdat u Allah's grootheid zult prijzen, omdat Hij u terecht heeft geleid en opdat u dankbaar zult zijn.
186. En wanneer Mijn dienaren u over Mij vragen, zeg dan: "Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van de smekeling, wanneer hij Mij aanroept." Daarom moeten zij naar Mij luisteren en in Mij geloven, opdat zij geleid zullen worden.
187. Het is u veroorloofd, om op de nacht van het vasten tot uw vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en u bent haar een gewaad. Allah weet, dat u onrechtvaardig heef gehandeld tegenover uzelf en heeft Zich met barmhartigheid tot u gewend en u verlichting geschonken. Daarom moogt u nu tot haar ingaan en betrachten, hetgeen Allah u heeft verordend; en eet en drinkt, totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond. En verbreng uw tijd niet met uw vrouwen wanneer u in de Moskeeën de I'tikaf vericht. Dit zijn de beperkingen van Allah - dus nadert deze niet. Zo zet Allah zijn geboden uiteen voor de mensen, opdat zij vroom zullen zijn.
188. En verteert uw rijkdommen niet onder elkander door valse middelen en brengt ze niet naar de rechters, opdat u een deel der rijkdommen der mensen in zonde kunt verteren, tegen beter weten in.
189. Zij vragen u betreffende de nieuwe manen. Zeg: "Zij zijn tijdsaanwijzingen voor de mensen en voor de bedevaart." Het is geen deugd, dat u de huizen binnengaat aan de achterzijde: maar deugdzaamheid is in hem, die Allah vreest. Dus gaat de huizen door de deuren binnen en vreest, Allah, opdat u zult slagen.
190. En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief.
191. En doodt hen, waar u hen ook ontmoet en drijft hen uit, vanwaar zij u hebben uitgedreven; want vervolging is erger dan doden. En bevecht hen niet nabij de heilige Moskee, voordat zij u daarin bevechten. Maar indien zij u bevechten, bevecht hen dan - zo is de vergelding voor de ongelovigen.
192. Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker Vergevensgezind, Genadevol.
193. En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst alleen voor Allah wordt. Maar indien zij (met strijden) ophouden, dan is er geen vijandelijkheid meer toegestaan, behalve tegen de onrechtvaardigen.
194. De heilige maand voor de heilige maand! Er is (een wet van) vergelding voor alle heilige dingen. Wie daarom agressief tegen u handelt, vergeldt hem naarmate hij tegen u heeft gedaan. En vreest Allah en weet, dat Allah met de godvruchtigen is.
195. En besteedt uw bezit voor de zaak van Allah en stort u niet met uw eigen handen in het verderf doch doet goed: voorzeker, Allah heeft hen lief, die goed doen.
196. En voleindigt de Hadj (pilgrimstocht) en Omrah, ter wille van Allah, maar als u verhinderd bent, brengt dan het offer, dat gemakkelijk verkrijgbaar is en scheert uw hoofd niet, voordat het offer zijn bestemming heeft bereikt. En wie onder u ziek is of een kwaal in het hoofd heeft, moet een losprijs geven, òf door te vasten, òf door aalmoezen te geven, òf door een offer te brengen. En wanneer u veilig bent, moet hij die gebruik maakt van Omrah, tegelijk met de Hadj een offer brengen, dat gemakkelijk verkrijgbaar is. Maar degenen, die geen (offer) kunnen vinden, moeten drie dagen gedurende de bedevaart vasten en zeven dagen, wanneer (men) terugkeert; dit is tien dagen in het geheel. Dit is voor hem, wiens familie niet dicht bij de Heilige Moskee woont. En vreest Allah en weet, dat Allah streng is in het straffen.
197. De maanden der bedevaart zijn bekend, dus, wie besluit ter bedevaart te gaan in deze maanden, bedenk, dat er geen onreine taal, noch enige overtreding, noch enige twist gedurende de bedevaart mag zijn. En wat u ook aan goeds doet, Allah weet het. En rust u uit met het nodige, maar de beste uitrusting is godsvrucht. En vreest Mij alleen, o mensen van begrip.
198. Het is voor u geen zonde, wanneer u de overvloed van uw Heer zoekt. Wanneer u van (de berg ) Arafaat weggaat, gedenkt dan Allah bij Mashar-il-Haram (Muzdalifah) en gedenkt Hem, omdat Hij u heeft geleid, terwijl u voordien tot de dwalenden behoorde.
199. Gaat dan voort, vanwaar het volk voortgaat en zoekt vergiffenis van Allah; Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
200. En wanneer u uw wijdingen heeft verricht, gedenkt dan Allah, zoals u uw vaderen gedenkt en zelfs meer dan dat. En er zijn mensen, die zeggen: "Onze Heer, schenk ons (veel) in deze wereld", maar voor hen is er geen aandeel in het Hiernamaals.
201. Sommigen hunner zeggen: "Onze Heer, schenk ons het goede in deze wereld, alsook in de komende wereld en bescherm ons voor de marteling van het Vuur."
202. Voor dezen zal er een aandeel zijn wegens hetgeen zij hebben verdiend. En Allah is vlug in het verrekenen.
203. En gedenkt Allah gedurende het vastgestelde aantal dagen, maar wie na twee dagen zich haast (om te vertrekken) het zal voor hem geen zonde zijn en wie achterblijft, ook voor hem zal het geen zonde zijn. Dit geldt voor hem, die God vreest. Vreest Allah en weet, dat u voor Hem zult worden verzameld.
204. En onder de mensen is iemand, wiens spreken over dit leven u zou behagen en hij stelt Allah tot getuige voor wat in zijn hart is en toch is hij de meest twistzieke.
205. Wanneer hij gezag heeft, gaat hij in het land rond, om er wanorde te stichten en de oogst en het nageslacht (van de mens) te vernietigen, maar Allah houdt niet van wanorde.
206. En wanneer er tegen hem wordt gezegd: "Vrees Allah ", dan spoort de trots hem aan tot verdere zonde. Daarom is de hel goed genoeg voor hem en voorzeker, deze is een kwade rustplaats.
207. En onder de mensen is iemand, die zich weggeeft, Allah's welbehagen zoekende; Allah is goedertieren jegens Zijn dienaren.
208. O u die gelooft, komt in volledige overgave en volgt de voetstappen van Satan niet; hij is voorzeker uw verklaarde vijand.
209. Maar indien u uitglijdt nadat de duidelijke tekenen tot u zijn gekomen, weet dan, dat Allah Almachtig, Alwijs is.
210. Zij wachten op niets anders, dan dat Allah en de engelen in de schaduw der wolken tot hen komen en dat de zaak beslist wordt. En tot Allah worden alle dingen teruggebracht.
211. Vraag de kinderen Israëls, hoeveel duidelijke tekenen Wij hun hebben gegeven. Maar hij die de gunst van Allah verandert, nadat zij tot hem is gekomen, (wete) dat Allah streng is in het straffen.
212. Het leven dezer wereld is voor de ongelovigen schoonschijnend gemaakt en zij bespotten de gelovigen. Maar de godvrezenden zullen boven hen verheven zijn op de dag der opstanding: Allah schenkt Zijn gaven overvloedig aan wie Hij wil.
213. De mensheid was één gemeenschap. Daarna verwekte Allah profeten als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers en zond met hen het Boek neder, dat de waarheid bevatte, om onder de mensen te richten over datgene waarin zij verschilden. En niemand verschilde er over, dan degenen aan wie het (Boek) was gegeven, nadat duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, - uit afgunst jegens elkander. Dan heeft Allah door Zijn gebod de gelovigen geleid betreffende de waarheid, waarover zij hot oneens waren; en Allah leidt naar het rechte pad, wie Hij wil.
214. Denkt u dat u de Hemel zult binnengaan, terwijl de toestand dergenen, die vòòr u gingen, nog niet over u is gekomen? Armoede en tegenslagen kwamen over hen en zij werden hevig geschokt, totdat de boodschapper en de gelovigen met hem zeiden: "Wanneer komt Allah's hulp?" Ja, voorzeker, de hulp van Allah is nabij.
215. Zij vragen u, wat zij moeten besteden. Zeg hun: "Welke rijkdom u ook weggeeft, het moet zijn voor ouders, naaste verwanten, wezen, behoeftigen en reizigers. En welke weldaad u ook doet - Allah weet het goed.
216. Vechten is u geboden ofschoon u er afkerig van bent; maar het kan zijn, dat u tegenzin heeft in iets terwijl het goed voor u is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u is. Allah weet het en u weet het niet.
217. Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: "Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging is erger dan doden." En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Dezulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven.
218. Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah hun land verlaten en er voor ijveren, zijn het, die Allah's barmhartigheid verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
219. Zij vragen u omtrent wijn en kansspel. Zeg hun: "In beide is groot nadeel en ook enig voordeel voor de mensen, maar het nadeel is groter dan het voordeel." En zij vragen u, wat zij moeten weggeven. Zeg hun: "Hetgeen u kunt missen." Zo maakt Allah u Zijn geboden duidelijk, opdat u over deze en de volgende wereld zult nadenken.
220. En zij vragen u omtrent de wezen. Zeg hun: "De bevordering van hun welzijn is een goede daad. En als u met hen omgaat zijn zij uw broeders. En Allah weet de kwaadstichters van de vredestichters te onderscheiden. En indien Allah het had gewild, zou Hij het u moeilijk hebben gemaakt. Voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs.
221. En huwt geen afgodendienaressen voordat zij geloven; waarlijk een gelovige slavin is beter, dan een afgodendienares, ofschoon zij u moge behagen. En huwt haar (gelovige vrouwen) niet aan afgodendienaren uit, voordat zij geloven; waarlijk een gelovige slaaf is beter, dan een afgodendienaar, ofschoon hij u moge behagen. Zij noden tot het Vuur, maar Allah noodt u tot de Hemel en tot vergiffenis door Zijn gebod. En Hij maakt Zijn tekenen aan de mensen duidelijk, opdat zij lering zullen trekken.
222. En zij vragen u omtrent de menstruatie. Zeg (hun): "Het is iets schadelijks, blijft dus gedurende de menstruatie van de vrouwen weg en gaat niet tot haar in, voordat zij hersteld zijn. Maar wanneer zij zich hebben gereinigd, gaat tot haar in, zoals Allah het u heeft bevolen. Allah bemint hen, die zich tot Hem wenden en zich rein houden.
223. Uw vrouwen zijn een akker voor u - komt daarom tot uw akker, zoals het u behaagt en doet goed voor uzelf en vreest Allah en weet, dat u Hem zult ontmoeten en geef goede tijdingen aan de gelovigen.
224. En verschuilt u niet achter Allah met uw eden om u te onthouden van het goeddoen en het rechtvaardig handelen en het stichten van vrede tussen de mensen. Allah is Alhorend, Alwetend.
225. Allah zal u niet ter verantwoording roepen voor uw ijdele eden, maar Hij zal u ter verantwoording roepen voor hetgeen uw hart heeft verdiend. Allah is Vergevensgezind, Verdraagzaam.
226. Voor hen, die onthouding zweren jegens hun vrouwen is de wachtperiode vier maanden; als zij echter ervan terugkomen, voorzeker, dan is Allah Vergevensgezind, Genadevol.
227. En indien zij besluiten tot echtscheiding voorzeker Allah is Alhorend, Alwetend.
228. De gescheiden vrouwen moeten drie menstruatieperioden wachten; en het is haar niet geoorloofd, hetgeen Allah in haar baarmoeder heeft geschapen, te verbergen, indien zij in Allah en de laatste dag geloven; en haar echtgenoten hebben het recht, haar (intussen) terug te nemen, indien zij verzoening wensen. En vòòr haar geldt hetzelfde als tegen haar, hetgeen billijk is, de mannen hebben voorrang boven haar, Allah is Machtig, Alwijs.
229. Is de echtscheiding twee keer geschied, behoud haar dan op behoorlijke wijze of zend haar met vriendelijkheid weg. En het is u niet geoorloofd, iets te nemen van hetgeen u haar heeft gegeven, tenzij beiden vrezen, Allah's bepalingen niet in acht te kunnen nemen. Indien u (familieleden) vreest, dat zij Allah's bepalingen niet in acht kunnen nemen, dan zal er voor geen van hen beiden zonde zijn in hetgeen zij teruggeeft om daardoor vrij te worden. Dit zijn de door Allah voorgeschreven beperkingen, overschrijdt ze daarom niet; wie de door Allah voorgeschreven grenzen overschrijden, zijn overtreders.
230. Indien hij van haar (ten derden male) scheidt, is zij voor hem niet meer geoorloofd, voordat ze een andere echtgenoot heeft gehuwd en indien deze van haar scheidt, zal het voor hen geen zonde zijn, tot elkander terug te keren, indien zij er van overtuigd zijn, dat zij de door Allah voorgeschreven beperkingen in acht zullen nemen. Dit zijn Allah's bepalingen, welke Hij aan de mensen, die kennis hebben duidelijk maakt.
231. En wanneer u van uw vrouwen scheidt en zij het einde van de haar voorgeschreven periode bereiken, behoudt haar dan op een behoorlijke manier, of zendt haar op een betamelijke manier weg, maar behoudt haar niet tot haar nadeel, waardoor u de perken te buiten gaat. Wie zulks doet, doet gewis zijn eigen ziel onrecht. En drijft niet de spot met Allah's geboden en gedenkt Allah's gunst aan u en (gedenkt) het Boek en de wijsheid, die Hij u heeft nedergezonden, waarmede Hij u vermaant. En vreest Allah en weet, dat Allah de Kenner is van alle dingen.
232. En wanneer u van vrouwen scheidt en zij het einde van haar wachtperiode hebben bereikt, verhindert haar niet, haar (aanstaande) man te huwen, als zij met elkander op de gebruikelijke wijze tot overeenstemming zijn gekomen. Dit is een vermaning voor hem, die onder u in Allah en de laatste dag gelooft. Het is beter en reiner voor u; Allah weet en u niet.
233. Moeders (gescheiden vrouwen) zullen haar kinderen twee volle jaren zogen, dit is voor hen, die de zoogtijd wensen te voltooien. En op de vader rust de zorg voor voedsel en kleding voor haar volgens gebruik. Geen ziel wordt belast boven haar vermogen. De moeder zal geen leed worden aangedaan wegens haar kind, noch zal de vader leed worden aangedaan wegens zijn kind en hetzelfde geldt voor de erfgenaam. Als beiden besluiten, het kind te spenen door wederzijdse overeenkomst en overleg, rust er geen schuld op hen. En als u verkiest, een min voor uw kinderen te nemen, zal er geen blaam op u rusten, mits u hetgeen u overeenkomt naar billijkheid betaalt. En vreest Allah en weet, dat Allah ziet, wat u doet.
234. En diegenen uwer, die sterven en vrouwen achterlaten, (hun vrouwen) moeten vier maanden en tien dagen wachten. Wanneer zij het einde der wachtperiode hebben bereikt, zal er op u geen zonde rusten voor hetgeen zij voor zichzelf op behoorlijke wijze doen; Allah weet, wat u doet.
235. En er zal geen schuld op u rusten, indien u niet rechtstreeks spreekt over een huwelijksaanzoek aan die vrouwen, of indien u dit in uw gedachten verborgen houdt. Allah weet, dat u het haar zult zeggen. Maar belooft haar niets in het geheim tenzij u op de goede wijze spreekt. En besluit niet tot de huwelijksband, voordat de voorgeschreven wachttijd ten einde is. En weet, dat Allah weet, wat in uw gedachten is en vreest derhalve voor Hem en weet, dat Allah Vergevensgezind, Verdraagzaam is.
236. Het zal voor u geen zonde zijn, indien u van uw vrouw scheidt, voordat u haar heeft benaderd of voor haar een bruidsschat heeft vastgesteld. Maar maakt een voorziening voor haar, de rijke naar zijn middelen en de arme naar zijn middelen, een gebruikelijke voorziening - dit is een verplichting voor de deugdzamen.
237. En indien u van haar scheidt, voor u haar heeft benaderd maar haar een bruidsschat heeft toegekend, (geeft) dan de helft van hetgeen u heeft vastgesteld, tenzij zij het u kwijtschelden, of degene, die de huwelijksband in handen heeft het u zou kwijtschelden. En, indien u kwijtscheldt is dit dichter bij de godsvrucht. En vergeet niet, elkander goed te doen. Voorzeker, Allah ziet, wat u doet.
238. Waakt over uw gebeden en het tussengebed en stelt u ootmoedig voor Allah.
239. Als u in gevaar verkeert, bidt dan lopende of rijdende, maar wanneer u veilig bent, gedenkt dan Allah, zoals Hij u heeft geleerd, wat u niet wist.
240. En degenen uwer, die wanneer zij sterven vrouwen achterlaten, moeten voor hun vrouwen een testament maken voor hun levensonderhoud gedurende één jaar, zonder dat zij worden uitgezet. Maar indien zij weggaan zal er geen schuld op u rusten, wegens datgene, wat zij omtrent zichzelf op behoorlijke wijze doen. En Allah is Almachtig, Alwijs.
241. En er moet voor de gescheiden vrouwen een billijke voorziening zijn, dit is een verplichting voor de godvruchtigen.
242. Zo zet Allah Zijn geboden uiteen, opdat u zult begrijpen.
243. Weet u niet van degenen, die uit angst voor de dood hun huizen verlieten - het waren er duizenden. Allah zei tot hen: "Sterft" en dan schonk Hij hun leven. Voorzeker, Allah is genadig jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn ondankbaar.
244. Strijdt voor de zaak van Allah en weet, dat Allah Alhorend, Alwetend is.
245. Wie aan Allah het goede deel afstaat, Hij zal het voor hem vele malen vermenigvuldigen en Allah vermindert en vermeerdert en tot Hem zult u worden teruggebracht.
246. Weet u niet van de leiders der kinderen Israëls na Mozes, toen zij tot één hunner profeten zeiden: "Stel ons een koning aan, opdat wij ter wille van Allah kunnen strijden." Hij zei: "Is het niet waarschijnlijk, dat u niet zult willen vechten, wanneer het u wordt voorgeschreven?" Zij zeiden: "Welke reden hebben wij om ons van het vechten voor Allah's zaak te willen onthouden, wanneer wij van onze huizen en onze kinderen zijn verdreven?" Maar, toen het vechten hun werd bevolen, wendden zij zich af, met uitzondering van een klein aantal hunner; Allah kent de overtreders goed.
247. En hun profeet zei tot hen: "Waarlijk, Allah heeft Taloet (Saul) als koning over u aangesteld." Zij zeiden: "Hoe kan hij over ons regeren, terwijl wij meer recht op heerschappij hebben dan hij en hem geen overvloed van rijkdommen is gegeven?" Hij zei: "Voorzeker, Allah heeft hem boven u gekozen en heeft hem overvloedig toegerust met kennis en kracht." En Allah geeft Zijn heerschappij aan wie Hij wil en Allah is Milddadig, Alwetend.
248. En hun profeet zei tot hen: "Het teken van zijn heerschappij is, dat u een hart zal worden gegeven, waarin de kalmte van uw Heer zal zijn, het beste van de nalatenschap der volgelingen van Mozes en der volgelingen van Aäron, (een hart) door de engelen gebracht. Voorzeker, hierin is voor u een teken, als u gelovigen bent."
249. En toen Taloet met de strijdkrachten uitrukte, zei hij: "Voorzeker, Allah zal u door een stroom beproeven: dus hij die er van drinkt, is niet met mij, behalve wanneer hij maar een handvol neemt, en hij die er niets van neemt, is zeker met mij." Maar behoudens enigen hunner dronken zij er van. En toen zij de rivier overstaken, hij en de gelovigen met hem - zeiden zij: "Wij hebben vandaag geen macht over Djaloet (Goliath) en zijn strijdkrachten." Maar zij, die er zeker van waren, dat zij Allah zouden ontmoeten, zeiden: "Hoevele kleine groepen hebben niet onder Allah's bevel over een grote groep gezegevierd." En Allah is met de geduldigen.
250. En toen zij uitgingen om Djaloet en zijn strijdkrachten te ontmoeten, zeiden zij: "Onze Heer, stort geduld over ons uit en maak onze voetstappen vast en help ons tegen het ongelovige volk!"
251. Zo versloegen zij hen door het gebod van Allah en David doodde Djaloet en Allah gaf hem heerschappij en wijsheid en onderwees hem, hetgeen Hij wilde. Had Allah sommige mensen niet door anderen laten terugdrijven, dan zou de aarde verdorven zijn. Maar Allah is genadig jegens de werelden.
252. Dit zijn de tekenen van Allah. Wij dragen ze u voor naar waarheid. Voorzeker, u bent één der boodschappers.
253. Van deze boodschappers hebben wij sommigen boven anderen verheven; tot sommigen hunner sprak Allah en sommigen hunner verhief Hij in rang. En Wij gaven Jezus, zoon van Maria duidelijke tekenen en versterkten hem met de geest der heiligheid. En indien Allah wilde, zouden zij, die na hem kwamen, elkander niet hebben bestreden, nadat de duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, maar zij twistten, daar sommigen hunner geloofden en anderen verwierpen. En indien Allah wilde, zouden zij elkander niet hebben bestreden, maar Allah doet, wat Hij wil.
254. O, u die gelooft, geeft van hetgeen Wij u hebben geschonken, voordat de dag komt, waarop noch handel, noch vriendschap, noch voorspraak zal zijn; en de ongelovigen zijn de onrechtvaardigen.
255. Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande. Sluimer, noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en wat achter hen is en zij kunnen niets van Zijn kennis omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide vermoeit Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote.
256. Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel verloochent en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen, dat onbreekbaar is. Allah is Alhorend, Alwetend.
257. Allah is de Vriend dergenen, die geloven; Hij brengt hen uit de duisternis tot het licht. Maar de vrienden der ongelovigen zijn de duivelen, zij brengen hen uit het licht in de duisternis; dezen zijn de bewoners van het vuur, daarin zullen zij wonen.
258. Heeft u niet vernomen van hem, die met Abraham over zijn Heer redetwistte, omdat Allah hem het koninkrijk had gegeven? Toen Abraham zei: "Mijn Heer is Hij, die het leven geeft en doet sterven", zei hij: "Ik geef leven en doe sterven." Abraham zei: "Nu, Allah doet de zon van het Oosten opgaan, doet u haar van het Westen opgaan." Daarop verstomde de ongelovige in verbazing. En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.
259. Of, gelijk degene, die langs een stad komende, welke was ingestort, uitriep: "Hoe zal Allah haar doen herleven na haar vernietiging?" Toen deed Allah hem sterven voor honderd jaren; daarna wekte Hij hem op en zei: "Hoelang bent u hier reeds?" Hij antwoordde: "Ik ben een dag, of een gedeelte van een dag gebleven." Hij zei: "Nee, u bent honderd jaren gebleven. Kijk nu naar uw voedsel en uw drank; zij zijn niet bedorven. En kijk naar uw ezel; (dit is) opdat Wij u tot een teken voor de mensen maken. En kijk naar de beenderen, hoe Wij ze in elkaar zetten en ze daarna met vlees bekleden." En toen hem dit duidelijk werd zei hij: "Ik weet, dat Allah macht heeft over alle dingen."
260. En toen Abraham zei: "Mijn Heer, toon mij, hoe U de doden tot leven opwekt." Hij zei: "Gelooft u dan niet?" Hij zei: "Ja, maar opdat mijn hart rustig zij." Hij antwoordde: "Neem vier vogels en maak ze aan u gehecht. Zet dan ieder hunner op een heuvel; roep hen dan; ze zullen haastig tot u komen. En weet, dat Allah Almachtig, Alwijs is.
261. De gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen voor de zaak van Allah besteden, is als de gelijkenis van een graankorrel, die zeven aren voortbrengt, in elke aar honderd korrels. Allah vermeerdert voor wie Hij wil; Allah is Alomvattend, Alwetend.
262. Zij, die hun rijkdommen ter wille van Allah besteden, en het besteden niet doen volgen door (anderen) te verwijten of te krenken, voor hen is er beloning bij hun Heer en zij zullen geen vrees hebben, noch zullen zij treuren.
263. Een vriendelijk woord en vergiffenis schenken is beter, dan liefdadigheid, gevolgd door krenking. En Allah is Zichzelf genoeg, Verdraagzaam.
264. O, u die gelooft, maakt uw aalmoezen niet waardeloos door verwijt of krenking, zoals hij, die zijn rijkdommen weggeeft, om op te vallen bij de mensen en hij gelooft niet in Allah en de laatste dag. Hij is als een gladde rots, die met aarde is bedekt, waarop een stortregen valt, welke haar kaal achterlaat. Zij hebben geen macht over wat zij verdienen. En Allah leidt het ongelovige volk niet.
265. En de gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen weggeven, Allah's welbehagen zoekende en hun ziel versterkende, is als een tuin op hooggelegen grond, die bij regen tweevoudig vruchten voortbrengt. En als er geen regen op valt, dan is dauw voldoende. Allah ziet, wat u doet.
266. Zou iemand uwer wensen dat er voor hem een tuin was met palmbomen en wijnstokken waardoor beken vloeien en waarin voor hem allerlei vruchten groeien, terwijl hij oud is en een zwak nakomelingschap heeft, en dat hem (de tuin) een vurige wervelwind treft en hem verschroeit? Zo zet Allah u Zijn woorden uiteen, op dat u tot nadenken zult komen.
267. O, u die gelooft, geeft van de goede dingen weg, die u heeft verdiend en van hetgeen Wij voor u uit de aarde voortbrengen en zoekt niet hetgeen slecht is, om er van weg te geven, wanneer u het zelf niet zoudt nemen, tenzij oogluikend; en weet, dat Allah Zichzelf-genoeg, Geprezen is.
268. Satan dreigt u met armoede en gelast u hetgeen slecht is, terwijl Allah uit Zichzelf u vergiffenis en overvloed belooft; en Allah is Overvloedig-gevend, Alwetend.
269. Hij schenkt wijsheid aan wie Hij wil en wie wijsheid is geschonken is inderdaad overvloedig begiftigd en niemand trekt er lering uit, behalve zij, die begrip hebben.
270. En alles wat u geeft en elke gelofte, die u aflegt, voorzeker Allah weet het; er is geen hulp voor de onrechtvaardigen.
271. Als u openlijk aalmoezen geeft is het goed, maar als u dit in stilte doet en aan de armen geeft is het beter voor u en Hij zal de fouten van u wegnemen. En Allah weet, wat u doet.
272. Hen te leiden is niet uw plicht, maar Allah leidt wie Hij wil. En welke rijkdommen u ook weggeeft, het komt u ten goede en u geeft alleen om Allah's welbehagen te zoeken. En welke rijkdommen u ook besteedt, het zal u ten volle worden terugbetaald en u zal geen onrecht worden aangedaan.
273. (Aalmoezen zijn) voor de armen, die gebonden zijn (door hun dienst) aan Allah, en in het land niet kunnen rondtrekken. De onwetende beschouwt hen als rijken wegens hun hescheidenheid. U zult hen aan hun tekenen herkennen, daar zij niet op een opdringerige wijze bij de mensen vragen. En welke rijkdommen u ook besteedt, voorzeker, Allah weet het goed.
274. Zij, die hun rijkdommen nacht en dag, heimelijk of openlijk weggeven, ontvangen hun beloning van hun Heer; zij zullen niet vrezen, noch zullen zij treuren.
275. Degenen, die woekerwinst maken, verrijzen zoals iemand, die door Satan met krankzinnigheid is geslagen. Dat komt, omdat zij zeggen: "Handel is gelijk aan rente", terwijl Allah de heeft wettig en de rente onwettig heeft verklaard. Die daarom een vermaning van zijn Heer krijgt en ermee ophoudt, hem zal toebehoren, hetgeen hij vroeger heeft ontvangen en zijn zaak is bij Allah. En zij, die terugvallen, zij zijn de mensen van het Vuur, daarin zullen zij vertoeven.
276. Allah schaft de rente af en doet de weldadigheid toenemen. En Allah heeft niet lief alle ondankbaren en zondaren.
277. Voorzeker, zij die geloven en goede daden doen en het gebed houden en de Zakaat betalen, hun beloning is bij hun Heer en voor hen is geen vrees, noch zullen zij treuren.
278. O, u die gelooft, vreest Allah en doet afstand van de rest van de rente, als u gelovigen bent.
279. Maar indien u dit niet doet, bereidt u dan ten oorlog met Allah en Zijn boodschapper; indien u berouw heeft is voor u het oorspronkelijke kapitaal: zo zult u geen onrecht doen, noch zal u onrecht worden aangedaan.
280. En indien iemand in verlegenheid is, laat er dan uitstel zijn tot het hem past. En wanneer u kwijtscheldt is het beter voor u; wist u het slechts.
281. En vreest de dag, waarop u tot Allah zult worden teruggebracht; dan zal aan elke ziel ten volle worden betaald hetgeen zij heeft verdiend; en onrecht zal hen niet worden aangedaan.
282. O, u die gelooft, wanneer u van elkander leent voor een vastgestelde periode, schrijft het dan op. Laat een schrijver het naar waarheid in uw bijzijn optekenen en geen schrijver moet weigeren, te schrijven, zoals Allah hem heeft onderwezen; laat hem daarom schrijven en laat de schuldenaar dicteren en hij moet Allah, zijn Heer vrezen en niets daaraan afdoen. Maar, indien de schuldenaar weinig verstand heeft, of zwak is, of zelf niet kan dicteren, laat dan zijn zaakwaarnemer eerlijk dicteren. En roept van onder uw mannen twee getuigen en als er geen twee mannen zijn, dan één man en twee vrouwen van degenen, die u als getuigen aanstaan, zodat, wanneer één der twee vrouwen zich zou vergissen, de ene de andere indachtig moge maken. En de getuigen mogen niet weigeren, wanneer zij worden gedaagd. En wordt het schrijven niet moe, of het weinig of veel zij, betreffende de vervaltijd. Dit is in Allah's ogen eerder rechtvaardig, het maakt het getuigenis zekerder en weerhoudt u van twijfel. Maar wanneer het contante handel is, die u onderling drijft, zal het geen blaam voor u zijn, als u het niet neerschrijft. En hebt getuigen, wanneer u aan elkander verkoopt en de schrijver en de getuigen mag geen leed worden aangedaan. En indien u zulks doet, zal het zeker overtreding van u zijn. Vreest Allah. Allah schenkt u kennis en Allah weet alle dingen goed.
283. En indien u op reis bent en geen schrijver vindt, laat er dan een onderpand voor worden gegeven. En indien één uwer de ander iets toevertrouwt, laat dan degene aan wie het toevertrouwd is, het toevertrouwde teruggeven en laat hem Allah zijn Heer vrezen. Verbergt geen getuigenis; en wie dat wel doet diens hart is zeker zondig en Allah weet goed, wat u doet.
284. Aan Allah behoort wat in de hemelen en wat op de aarde is; en indien u openbaart hetgeen in uw innerlijk is of het verborgen houdt, Allah zal u er rekenschap voor vragen; dan zal Hij vergeven wie Hij wil en straffen, wie Hij wil. Allah heeft macht over alle dingen.
285. Deze boodschapper gelooft in hetgeen hem van zijn Heer is geopenbaard en ook de gelovigen, allen geloven in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken en Zijn boodschappers, zeggende: "Wij maken geen verschil tussen Zijn boodschappers"; en zij zeggen: "Wij hebben gehoord en gehoorzaamd, Heer, wij vragen U vergiffenis en tot U is (onze) terugkeer."
286. Allah belast geen ziel boven haar vermogen. Voor haar is wat zij verdient en tegen haar is ook wat zij verdient. "Onze Heer, straf ons niet als wij vergeten of een fout hebben begaan, Heer, en belast ons niet, zoals U degenen, die vòòr ons waren, heeft belast; onze Heer belast ons niet met datgene, waarvoor wij de kracht niet hebben (het te dragen), wis onze fouten uit en schenk ons vergiffenis en wees ons barmhartig; U bent onze Meester, help ons daarom tegen het ongelovige volk."